Jona uit de vis

Er is geen profeet die mij – naast Nahum – meer bezig houdt dan Jona. Dat heeft te maken met mijn werk aan het commentaar op Nahum. Beide profeten zijn het er roerend over eens dat Nineve als hoofdstad van de wrede Assyriërs streng gestraft moet worden. Alleen bij Jona ontspringen de inwoners van Nineve de dans. Het is boeiend om beide boeken te vergelijken en na te denken over hun plaats binnen het geheel van het boek van de Twaalf Profeten. Dat heb ik dan ook gedaan. Voor de Amsterdamse Cahiers schreef ik twee artikelen in het nummer over Jona in 2005: een overzicht van het onderzoek en een artikel over de manier waarop in de kunst het moment verbeeld wordt dat Jona de vis uit komt. In een recent nummer van Schrift heb ik dat weer opgepakt. Daarin besteed ik vooral veel aandacht aan preekstoelen in Oost-Europa in de vorm van de vis. De predikant komt daarbij als het ware uit de vis. De gedachte daarachter zal zijn dat de prediking hopelijk hetzelfde bewerkt als indertijd de (bijzonder korte) preek van Jona, namelijk een algehele bekering. In een nummer van de PThUnie legde ik via een oude prent de nadruk op hetgeen er met de profeet zelf gebeurde: als een nieuw mens kwam hij uit de vis. Overigens had Jona volgens het verhaal al veel eerder het goede voorbeeld kunnen volgen van de kapitein op het schip waarmee hij aan zijn opdracht probeerde te ontkomen. Ooit schreef ik daar iets over voor een Kamper studentenvereniging. Overigens werd ik naar aanleiding van mijn stukjes over Jona in de vis nog attent gemaakt op een opmerkelijke verwerking van dit thema in De onsterfelijke Pa Pinkelman (1952) door Godfried Bomans. Hij vertelt hoe Pa Pinkelman en de zijnen via een torpedo terecht komen in een vriendelijke walvis. Daar maakt tante Pollewop het zich gemoedelijk. Uiteindelijk komen ze er zonder problemen weer uit. De walvis wordt via een trein afgevoerd naar een museum in Moskou.

Simson in de film

Ik had ooit al eens over Simson en Delila in de film geschreven in het boek dat ik in 2004 samen met Cees Houtman schreef over de geschiedenis van de uitleg van Rechters 13-16: Ein Held des Glaubens?, met daarin een hoofdstuk over twee films. Daar kon ik onlangs dankbaar gebruik van maken voor mijn bijdrage aan het nummer van Schrift over Bijbel en media over de manier waarop figuren zoals Mozes, David en Simson als mooie mannen en tegenspeelsters als Batseba en Delila als nog mooiere, maar ook gevaarlijke vrouwen worden verbeeld. Dat ging vooral over oudere films. Onlangs werd daar een nieuw hoofdstuk aan toegevoegd in een recente film over Simson. Men vroeg mij vanuit het Nederlands Bijbelgenootschap om daar een blog over te schrijven. Wat een slechte film!