Prediker, PThU en mijn pensioen

Aan het themanummer van de Amsterdamse Cahiers over de vijf feestrollen (de Megillot) van de Hebreeuwse Bijbel heb ik twee artikelen bijgedragen: een artikel over de mogelijke samenhang tussen deze vijf boeken en een artikel over Prediker en de dood. Na twintig jaar (in het themanummer over Prediker) houd ik mij dus weer publiekelijk bezig met dit fascinerende boek. Misschien begrijp ik het nu ook beter. Net als Prediker kan ik terugkijken op een lang leven en constateren hoezeer de dingen zich vaak herhalen zonder zichtbare vooruitgang. Nu ik kort voor mijn afscheid sta als hoogleraar aan de PThU en ik mijn ervaringen als student en docent nog eens de revue laat passeren, kan ik dat met de nodige voorbeelden staven. Toch ga ik met overtuiging en goede verwachtingen aan de slag als waarnemend rector en blijf ik in een andere functie dus nog even actief binnen de PThU. Nadenkend over de boodschap van Prediker in het kader van mijn afscheidscollege (ook over Prediker en de dood) voel ik mij des te meer aangesproken door de herhaalde oproep van Prediker om te genieten van je jeugd. Daarbij denk ik dan niet aan mijn eigen jeugd, waarop ik overigens wel met dankbaarheid en genoegen terugkijk, maar aan het jeugdig elan van de studenten. Bij alle verwikkelingen binnen de PThU rond verhuizing, ontvlechting en herziening van het onderwijs blijft het inspirerend contact met studenten de boventoon voeren. Dat jeugdig elan zie ik niet alleen bij studenten die van het middelbaar onderwijs komen, maar ook bij studenten die op al wat oudere leeftijd met de studie theologie beginnen, vaak via de premaster. Als ik dan in navolging van Prediker ga relativeren, betekent dat niet dat ik vind dat het allemaal niet zoveel voorstelt. Relativeren is dan vooral onderscheiden in hoofd- en bijzaken. De hoofdzaak van de theologie is voor mij dat je steeds weer iets kan proeven van de inspiratie van de Bijbelse geschriften. Dit te mogen delen met gretige studenten houdt je jong.

Vrede!

Deze week verscheen er in Vredesspiraal, het kwartaaltijdschrift van de vereniging Kerk en vrede een artikel dat ik samen met Pieter Vos schreef over de manier waarop wij in de opleiding aan de PThU het vredesvraagstuk aan de orde stellen. Het riep bij mij herinneringen op aan lang vervlogen tijden waarin heel veel mensen bevlogen bezig waren met de strijd voor vrede. Het was de tijd – al bijna 40 jaar geleden – dat men massaal de straat op ging om te protesteren tegen kernwapens. Het was de tijd waarin er lokaal allerlei activiteiten rondom oorlog en vrede werden ontplooid. In de plaatsen waar ik toen woonde – eerst in Nieuwleusen en later in Kampen – deden we bijvoorbeeld veel aan vredesopvoeding. Zo werkten we van onderop, via ouders en hun kinderen, aan een vreedzame samenleving. Een aantal jaren later – we woonden inmiddels in Monnickendam – was de vredesbeweging nog steeds actief. Ik leverde een bescheiden bijdrage via een stukje in een regionale nieuwsbrief. Ik was geen lid van de werkgroep en was waarschijnlijk als predikant uitgenodigd omdat het ging om het Kerstnummer. Mijn bijdrage aan het werken aan vrede lag in die tijd vooral in het bewaren van de vrede in de kerk, vooral bij de jaarlijks terugkerende strijd over het al dan niet uitreiken van de progressieve vredeskrant, dan wel zijn conservatieve tegenhanger.

Als ik beide artikelen met elkaar vergelijk zie ik – gelukkig – enige consistentie. Mijn herhaalde betoog is dat vrede begint waar mensen elkaar willen ontmoeten.