De taak van hoofdredacteur

Bij veel mensen die op een of andere manier te maken hebben met de Protestantse Theologische Universiteit viel vandaag het nieuwe nummer van PThUnie op de mat. Daarop prijkt deze keer een fraaie portret van de alom gewaardeerde docent Akke van der Kooi. Slaat men het blad open dan stuit men op een kleinere en volgens mijn vrouw ook minder goed geslaagde foto van mij. Daarover wil ik het nu verder niet hebben. Daar is ook weinig aan te doen. Fotogeniek zal ik wel niet meer worden. Waar ik nog wel invloed op heb is het stukje dat ik elke keer als hoofdredacteur mag schrijven als inleiding om de lezers te motiveren om vooral ook door te bladeren en verder te lezen. Dat is een zware taak. Je bent je ervan bewust dat zo’n “editorial” er gewoon bijhoort maar dat het ook te verwaarlozen is. Het verwijst immers naar de andere stukken. Toch heb ik elke keer weer de neiging er iets meer van te maken dan een aangeklede inhoudsopgave. Ik wil het graag een beetje spannender maken. Dat is ook prettiger schrijven. Dus zoek ik de grenzen van het genre op. Dat leidt soms tot botsingen met de andere redactieleden. Ze vonden dat ik in mijn eerste aan hen voorgelegde versie te ver ging. Ik had me laten leiden door de pittige reactie van collega Kocku von Stuckrad op een bijeenkomst van de verkenningscommissie van de KNAW die moet adviseren over de toekomst van de theologie en de religiestudies in Nederland. Het redactioneel wilde ik de vorm geven van een open brief aan die commissie. Dat stuitte op verzet: de vorm was misleidend en de inhoud zou wel eens problemen op kunnen leveren. Bij nader inzien moest ik wel toegeven dat ik mijn boekje deze keer te buiten was gegaan en leverde ik een stukje in waarin ik met gepaste terughoudendheid vooral de aandacht vestigde op Akke als boegbeeld van de opleiding in Kampen. Achteraf gezien is dat een gelukkig keuze, nu blijkt dat de foto’s van haar vanaf een schip in de haven van Kampen zijn gemaakt.

De Godsnaam in het nieuwe Liedboek

Voor Muziek & liturgie, het tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici schreef ik op verzoek van de redactie een stukje over het gebruik van de Godsnaam in de berijmde Psalmen. Dat was voor mij een goede aanleiding om me wat nader te verdieping in het nieuwe liedboek. Het leverde aardige en ook wel verrassende inzichten op, met name vanuit “genderperspectief”.

Bundel bundels

Vele maanden is er aan gewerkt. Het begon ooit met een klein congres. Zo’n bijeenkomst vergt al veel tijd en energie aan voorbereiding. Daar komt heel wat bij als je dan ook nog de bijdragen wilt publiceren. Doorgaans blijft het dan ook niet bij één congres(bundel). Het afgelopen jaar liepen er vele processen door elkaar. Bij drie daarvan was/ben ik als uitgever en auteur betrokken, bij nog eens twee alleen als auteur. De mooiste momenten in zo’n proces zijn aan het begin en het eind. Als het goed is beleef je bij de start iets van inspiratie bij het schrijven van je bijdrage. Heel fijn is aan het slot het moment wanneer je na alle schermutselingen met auteurs en uitgever het boek in handen hebt. Dat laatste overkwam me de afgelopen week twee keer.

Eerst ontving ik de bundel Fragile Dignity. Dat zijn bijdragen aan het lang lopende project van de PThU en de universiteit van Stellenbosch over menselijke waardigheid. Ik schreef daarvoor iets over de manier waarop het idee van de mens als beeld van God een rol speelt in de discussie. Dat kan veel spannender en kritischer dan doorgaans gebeurt.

Enkele dagen later kreeg ik de fraaie bundel Challenges and Perspectives in huis. Dat is een van de vruchten van ons NWO project over Byzantijnse Bijbelhandschriften. Voor mij is dit de fascinerende kennismaking met een heel andere omgang met de Bijbel. Hier ontmoeten de Westerse en Oosters-Orthodoxe benadering elkaar. Daarover gaat mijn bijdrage.

Conjectural

Het zal me mijn leven lang wel blijven achtervolgen. In 1986 ben ik gepromoveerd op een studie over het leven na de dood. Sindsdien geldt ik als deskundige op een terrein waarop men slechts iets met zekerheid kan zeggen over wat anderen erover zeggen.
Afgelopen zaterdag hield ik er een lezing over in Almere. Vandaag ontving ik een nummer van “Tijdschrift voor verkondiging” waarin ik schrijf over het geloof in de opstanding der doden naar aanleiding van het vreselijke verhaal in 2 Makkabeeën 7. TVV 10 nov 2013Tussendoor trof ik mijn naam aan in een voetnoot (nr. 7) in een artikel in het Bulletin of the American Schools of Oriental Research. BASOR 369Daarin word ik geschaard onder de mensen die een “conjectural reconstruction” geven van de dodencultus in het oude Nabije Oosten. Het is goed dat mensen zoals ik daarin gecorrigeerd worden, zo staat er bij.
Misschien moet ik bij een volgende uitnodiging maar wat terughoudender zijn.

Inmiddels is er in het “magazine voor Protestants Almere”, Spirit, een artikel van mij over dit onderwerp gepubliceerd.Leven na de dood – SPIRIT nov 2013

ouder worden

Deze week had ik mijn eerste Kerstviering. Het was een bijeenkomst met ouderen in de kerk te IJsselmuiden. Het voelde vertrouwd. In het verleden heb ik heel wat van dit soort vieringen mede vorm gegeven, zeker ook in de tijd dat ik als geestelijk verzorger in verpleeghuizen werkte. Het was dus bekend en het verliep prima. Er kwam echter onverwacht een nieuw element bij. Vroeger was ik bij dit soort gelegenheden altijd die leuke jonge predikant. Omringd door ouderen in het verpleeghuis kon ik die rol lekker lang blijven spelen. Maar het viel me op dat het niet meer gebeurt. Sterker nog: iemand maakte een grapje over het idee dat ik mogelijk ook al tot de doelgroep zou behoren. En ja, ik ben al grootvader en over vijf jaar 60+. Ik betrap me er ook op dat ik soms nadenk over mijn pensioen.

En toen viel deze week ook nog eens het blad Geroon op de deurmat: “tijdschrift over ouder worden & samenleving”. Toen ik het met bedrukt gemoed opraapte, bedacht ik me dat ik er een stukje Kopij voor Geron 2012 voor geschreven had, over de omgang in het oude Nabije Oosten met het idee van vergankelijkheid. Ik moet toegeven dat ik geboeid heb zitten lezen in dit nummer. Vooral het interview met Midas Dekkers sprak me aan, ook al zegt hij vreselijke dingen als “Van de natuur mogen we eigenlijk niet ouder worden dan een jaar of vijftig. Alles daarna is gewoon gejat” en rekent hij wel erg simpel en snel af met godsdienst: “God is de troost die wij hebben gevonden voor de doden”. Maar ik werd gegrepen door de nuchterheid waarmee hij de vergankelijkheid onder ogen ziet. Het geeft te denken en dat dit mij zo interesseert is dan waarschijnlijk toch een teken dat ik ouder word.

redactiewerk

De afgelopen week verscheen het nieuwe nummer van de Amsterdamse Cahiers. Het is gewijd aan Genesis. Ik was deze keer degene die het redactiewerk moest doen. Dat betekent o.a. dat ik het Woord vooraf moest schrijven. Het is een mooi nummer geworden. Het vele werk op de achtergrond is dus niet voor niets geweest. Ik heb er echter wel gemengde gevoelens bij. Ik heb inmiddels namelijk wel erg veel redactiewerk. Momenteel werk ik ook nog aan een bundel over de discussies rondom Kerk en Israël (Meervoudig verbonden), een bundel over godsdienst en conflict (Images of Enmity and hope) en aan een nummer van Semeia over het project ‘Human Dignity’. Anders dan bij het nummer van ACEBT  heb ik daar zelf ook nog stukken (meer dan slechts het inleidende werk) voor geschreven.  Toch wordt zo’n bundel nooit echt je “eigen” werk. Dat besefte ik tijdens de Nacht van de theologie, waar ik aanwezig was als één van de genomineerden voor het beste theologische boek. De prijs ging naar Gerben Heitink met zijn boek Golfslag van de tijd. Dat leek me terecht. Mede ook omdat het helemaal zijn boek was en niet, zoals in mijn geval, een verzameling opstellen van verschillende auteurs (De Bijbel theologisch). Ik denk dat ik in de komende tijd het redactiewerk wat ga minderen en ga proberen me te focussen op mijn boek over Rechters. Daar ben ik aan toe. Ik zal er geen prijs mee winnen, maar het lijkt me gewoon fijn om me weer eens een langere periode te verdiepen in een onderwerp.

Nogmaals: Leven na de dood

De vraag naar wat ons wacht na de dood blijft fascineren. In ieder geval blijft men mij vragen om daar zinnige dingen over te zeggen/schrijven. Ik doe dat dan ook braaf, maar met wel steeds meer aarzeling. Om mij heen neem ik een tendens waar om met stelligheid dingen te beweren over het leven aan gene zijde. In evangelische kringen heersen de traditionele christelijke opvattingen over oordeel, hemel en hel. Anderen suggereren diepgaand inzicht in deze materie op basis van theorieën over reïncarnatie of op basis van bijna-dood-ervaringen. Mijn bijdrage is een poging om de hoofdlijn uit het Bijbelse spreken over dit onderwerp weer te geven. Die is bescheiden. Dat geldt zowel voor mijn werk als voor wat de Bijbel ons meedeelt. In mijn bijdrage aan Schrift leg ik de nadruk op het feit dat de Bijbel veel terughoudender is over dit onderwerp dan men doorgaans aanneemt. In mijn bijdrage aan het fraaie tijdschrift Herademing probeer ik uit te leggen dat het in de eerste plaats gaat om de relatie met God. Die relatie zou wellicht de dood kunnen overstijgen.

Hoe zag Mozes er uit? En Jezus?

Voor het Christelijke Weekblad schreef ik een stukje over het mooie boek van Cees Houtman waarin hij een nauwgezet overzicht geeft van de manier waarop Bijbelverhalen op allerlei manieren zijn naverteld. Ik berichtte al eerder over de presentatie. In de bespreking in CW ga ik vooral in op de manier waarop men zich Mozes voorstelt. Ik had daar namelijk ooit al eens op gestudeerd voor mijn bijdrage aan de feestbundel voor Houtman.

Nog veel spannender wordt het wanneer het gaat om de vraag hoe Jezus er uit zag. Het is namelijk zeer de vraag of Jezus er in het echt wel uitzag zoals hij doorgaans bij ons wordt voorgesteld. Ik verwijs naar de consternatie die er ooit ontstond toen in een BBC documentaire in 2001 een realistischer voorstel werd gedaan. Voor het artikel in CW had ik een plaatje daarvan toegevoegd. In plaats daarvan heeft men toch maar een traditioneler afbeelding geplaatst.

Overigens suggereerde ik dat Cees Houtman zich als oudtestamenticus maar liever niet met deze kwestie wilde bemoeien. Tot mijn verrassing onthulde hij me echter onlangs dat zijn nieuwe boek juist over navertellingen over Jezus zal gaan.  We zullen zien.

Verzuchtingen van een recensent

Als ik me weer eens heb laten verleiden tot het schrijven van een recensie voel ik soms de neiging opkomen om met Prediker de verzuchting te slaken dat er maar geen einde komt aan het maken van veel boeken. Via via was ik gevraagd om voor de Review of Biblical Literature het commentaar van Duane Christensen op Nahum te bespreken. Ik wist dat het er aan kwam, want we hadden er al vrij intensief email contact over gehad. Ik wist ook dat Christensen grote waardering had voor mijn commentaar uit 1997. Het streelde me natuurlijk ook toen ik met eigen ogen kon constateren dat ik zeer veel geciteerd wordt. Net als ik heeft Christensen hoge waardering voor het literaire gehalte van het boek. Ik kan hem echter niet volgen in zijn wel erg ver doorgevoerde logotechnische benadering. Ik vind dat je die serieus moet nemen. Cas Labuschagne schrijft er goede dingen over en komt soms met hele mooie resultaten, zoals te zien is op zijn website. Maar Christensen slaat mijns inziens door. Bij alle waardering voor zijn degelijke commentaar (ruim 450 bladzijden over drie hoofdstukken Hebreeuwse tekst) kan ik dat niet onvermeld laten. Dat maakte het schrijven van deze recensie erg lastig.

Studiebijbels

Onlangs schreef ik voor de tweede keer een recensie over een Nederlandse studiebijbel op basis van de NBV. Ruim een jaar geleden had ik al iets aardigs geschreven over de NBV Studiebijbel, nu ging het over de Studiebijbel in Perspectief. Dat blijkt – anders dan ik verwacht had – een heel bruikbaar hulpmiddel te zijn dat vooral ook sympathiek overkomt. Omdat uit de aankondiging bleek dat deze studiebijbel gericht was op conservatief protestants Nederland, had ik me voorbereid op het zoveelste achterhoedegevecht van een orthodoxie die maar niet kan of wil begrijpen dat je de Bijbel geen recht doet door hem op te vatten als een bundeling van tijdloze waarheden. Dat valt echter reuze mee. Er wordt ruimte gegeven aan een goede weergave van de belangrijkste argumenten. Het werd dus een positief stukje. Vaak gaat het in recensies – bij mij in ieder geval – anders, maar dit is wel zo leuk.