De kunst van het recenseren

In korte tijd na elkaar werden er een viertal door mij geschreven recensies gepubliceerd: in het tijdschrift Schrift een recensie van A. Huijgen, Lezen en laten lezen (2019), in de Review of Biblical Literature een review van C. Berner & H. Samuel (eds), Book-Seams in the Hexateuch I: The Literary Transitions between the Books of Genesis/Exodus and Joshua/Judges (2018) en in het Journal for the Study of Judaism een review van R.X. Gauthier et al. (eds), Septuagint, Sages, and Scripture (Fs Johann Cook) (2016) en ook nog een review van H. Najman et al. (eds), Tracing Sapiential Traditions in Ancient Judaism (2016).

Het is de kunst van het recenseren om de publicatie recht te doen door haar goed samen te vatten en aan te geven in hoeverre zij bijdraagt aan het voortgaande onderzoek. Dat lukt natuurlijk het beste wanneer het een onderwerp betreft waar je zelf ook mee bezig bent. Dat was vooral bij de twee eerst genoemde boeken het geval. Huijgen schrijft evenwichtig (maar wat mij betreft ook al te voorzichtig) over de spanning tussen geloof en wetenschap bij het interpreteren van de Bijbel. In mijn colleges inleiding Oude Testament is dat voortdurend aan de orde. Het is iets waar conservatieve studenten mee worstelen. Ik hoop ze over hun koudwatervrees heen te helpen. Huijgen probeert hetzelfde bij zijn doelgroep, die zich voornamelijk binnen de Christelijk Gereformeerde kerk bevindt.

Het boek Book-Seams in the Hexateuch over de manier waarop de boeken Genesis en Exodus en de boeken Jozua en Rechters met elkaar zijn verbonden was voor mij vooral interessant wat betreft het tweede paar. Als dit als voorbeeld moet gelden van de wetenschappelijke omgang met de Bijbel, kan ik me de argwaan van conservatieve Bijbellezers wel voorstellen. Het is heel geleerd en heel minutieus, maar het is ook uitermate speculatief, waarbij de geleerden (meest Duitse heren) op basis van dezelfde argumenten tot heel verschillende conclusies komen. Het zou je de zin en de moed benemen er nog langer op te studeren. Ik vat het op als een aanmoediging om het ook eens over een andere boeg te gooien. In zekere zin was het dan ook een bevestiging van de door mij gekozen aanpak in het binnenkort te verschijnen commentaar op Rechters. Dan is het mijn beurt om te wachten op de recensies en te hopen op een reviewer die de kunst van het recenseren verstaat.

Wijn als troost

Om de zoveel tijd worden er onderzoeksresultaten gepubliceerd waaruit blijkt dat het drinken van alcoholhoudende dranken gezond/een beetje gezond/ongezond is. Onlangs was het weer raak, maar het bericht dat een enkele glaasje wijn gezond is was ook al eerder tegengesproken, zoals in dit bericht uit 2010. In Trouw reageerde Ephimenco op 14 april met een hartstochtelijk pleidooi voor de erkenning van de zegeningen van wijn. Zijn uitsmijter was een verwijzing naar het wonder van Kana, waarbij Jezus water in kwalitatief uitstekende wijn veranderde. Bijbels is daar nog veel meer over te zeggen. Enige tijd geleden heb ik de teksten over wijn in de Bijbel en de wereld daaromheen op een rijtje gezet voor een studiedag van Ex Oriente Lux. Dit “Vooraziatisch-Egyptisch genootschap” gaat met zijn tijd mee. Het archief van zijn tijdschrift Phoenix staat inmiddels ook online. Daar is mijn bijdrage over “Wijn als troost in leven en in sterven” in nr. 37.1 (1991) ook te vinden. Het artikel staat ook mijn pagina met publicaties. Ik heb er nu ook een blog over geschreven voor de website van de PThU. Het werd ook gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 26 juni 2018.

Amsterdamse School

Op facebook was er de afgelopen tijd een interessante, door Marcel Poorthuis aangezwengelde discussie over de zogenaamde “Amsterdamse school” op het gebied van de exegese van de Hebreeuwse Bijbel. Het was de aanleiding voor een symposium (de bijdragen zijn gepubliceerd in een nummer van In de waagschaal). Een aardig beeld van waar die “school” voor stond en staat wordt gegeven in de onlangs gepubliceerde bundel naar aanleiding van het 55-jarig bestaan van de ooit door Martin Beek opgericht Societas Hebraica Amstelodamensis, met bijdragen van alle voorzitters en met een overzicht van alle publicaties en lezingen.

De bundel is nu voor een habbekrats (€ 10; € 7,50 voor studenten) te krijgen; te bestellen door een berichtje te sturen naar kspronk@pthu.nl.

Alleen de Schrift?

Sinds kort mag ik mij de hoofdredacteur van het tijdschrift Schrift noemen. Eerder al schreef ik er af en toe artikelen voor. Met een gedeeltelijk nieuwe redactie, met goede ondersteuning van de uitgever (te zien aan de nieuwe lay-out) beginnen we met een nummer getiteld “Alleen de Schrift?”. Maarten Luther kijkt daarbij de lezer vanaf de omslag minzaam toe. Het moge duidelijk zijn dat ook wij aansluiten bij de herdenking van de Reformatie. Juist bij de genoemde wisseling van de wacht in de redactie zou men daar nog meer achter kunnen zoeken. Het tijdschrift is van oorsprong een rooms-katholiek periodiek. In 1969 verscheen het eerste nummer van Schrift als voortzetting van drie tijdschriften: Het Heilig Land, De Jeruzalemvaarder en Het Boek der Boeken. Die kwamen uit de kring van de Paters Montfortanen en de Heilig-Land-Stichting. De eerste hoofdredacteur Bas van Iersel, hoogleraar Nieuwe Testament in Nijmegen, had zijn opleiding ook genoten aan het seminarie der Montfortanen. Ook zijn opvolgster, Ellen van Wolde, is thuis in Nijmegen. Inmiddels werd de uitgave al wel verzorgd door Kok, de degelijk gereformeerde uitgever uit Kampen. En nu is de hoofdredacteur dus ook al iemand die gestudeerd heeft in dit reformatorische bolwerk. Men zou de veranderingen bij Schrift dus kunnen zien als een nieuwe reformatie, bezegeld met een veelzeggend themanummer.

Ware het niet dat er een vraagteken staat achter “Alleen de Schrift”. We zijn nog steeds enthousiast over de Bijbel als bron van inspiratie. De bijdragen in dit nummer getuigen er in alle toonaarden van dat de Bijbel mensen aanspreekt en verbindt. We roepen alleen met minder stelligheid het sola scriptura uit. Maar al te vaak in de geschiedenis bedoelde men er de Bijbel mee zoals men die zelf uitlegde en ging het vooral om het eigen gelijk ten koste van de overtuiging van de ander. We zijn er ons tegenwoordig doorgaans gelukkig meer van bewust dat onze Bijbeluitleg beïnvloed wordt door de traditie waarin we staan en de wereld waarin we leven. Daar is niets mis mee, wanneer we het maar onderkennen en daarmee ook weer onder kritiek kunnen stellen. Mijn eigen bijdrage (samen met Peter-Ben Smit) gaat juist over deze invloed van de context op de lezer. Het is iets waar ik in de toekomst nog veel meer mee bezig zal gaan. We hebben er zelfs een heus centrum voor opgericht.

Ethiek, esthetiek en de Bijbel

Deze maand nam ik deel aan een workshop “Po/et(h)ik” in Mainz. Achter de mysterieuze titel gaat de gedachte schuil dat er een relatie is tussen ethiek en schoonheid. Dat is een thema dat een grote rol speelt in het werk van Dorothea Erbele-Küster. Zij had de workshop ook georganiseerd. Bij deze gelegenheid kreeg zij een Festschrift aangeboden. Dat had te maken met haar afscheid van de Faculteit van Protestantse theologie in Brussel. De fraaie titel van dit door Peter Tomson en Jaap de Lange geredigeerde boek luidt ‘So good, so beautiful’. Studies into Psalms, ethics, aestethics, and hermeneutics. Op deze foto heeft Dorothea het boek in handen. Zij wordt geflankeerd door oud-collega’s van de PThU: Akke van der Kooi, Magda Misset-van de Weg en mij.

Mijn bijdrage daaraan is een artikel over de ethiek in het boek Rechters. Tijdens de workshop las ik met de deelnemers het lied van Debora (Re. 5), dat een mooi voorbeeld is van de combinatie van bedenkelijk handelen en fraaie literatuur. Te zijner tijd zullen de bijdragen aan de workshop worden gepubliceerd in een nummer van Semeia.

De taak van hoofdredacteur

Bij veel mensen die op een of andere manier te maken hebben met de Protestantse Theologische Universiteit viel vandaag het nieuwe nummer van PThUnie op de mat. Daarop prijkt deze keer een fraaie portret van de alom gewaardeerde docent Akke van der Kooi. Slaat men het blad open dan stuit men op een kleinere en volgens mijn vrouw ook minder goed geslaagde foto van mij. Daarover wil ik het nu verder niet hebben. Daar is ook weinig aan te doen. Fotogeniek zal ik wel niet meer worden. Waar ik nog wel invloed op heb is het stukje dat ik elke keer als hoofdredacteur mag schrijven als inleiding om de lezers te motiveren om vooral ook door te bladeren en verder te lezen. Dat is een zware taak. Je bent je ervan bewust dat zo’n “editorial” er gewoon bijhoort maar dat het ook te verwaarlozen is. Het verwijst immers naar de andere stukken. Toch heb ik elke keer weer de neiging er iets meer van te maken dan een aangeklede inhoudsopgave. Ik wil het graag een beetje spannender maken. Dat is ook prettiger schrijven. Dus zoek ik de grenzen van het genre op. Dat leidt soms tot botsingen met de andere redactieleden. Ze vonden dat ik in mijn eerste aan hen voorgelegde versie te ver ging. Ik had me laten leiden door de pittige reactie van collega Kocku von Stuckrad op een bijeenkomst van de verkenningscommissie van de KNAW die moet adviseren over de toekomst van de theologie en de religiestudies in Nederland. Het redactioneel wilde ik de vorm geven van een open brief aan die commissie. Dat stuitte op verzet: de vorm was misleidend en de inhoud zou wel eens problemen op kunnen leveren. Bij nader inzien moest ik wel toegeven dat ik mijn boekje deze keer te buiten was gegaan en leverde ik een stukje in waarin ik met gepaste terughoudendheid vooral de aandacht vestigde op Akke als boegbeeld van de opleiding in Kampen. Achteraf gezien is dat een gelukkig keuze, nu blijkt dat de foto’s van haar vanaf een schip in de haven van Kampen zijn gemaakt.

De Godsnaam in het nieuwe Liedboek

Voor Muziek & liturgie, het tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici schreef ik op verzoek van de redactie een stukje over het gebruik van de Godsnaam in de berijmde Psalmen. Dat was voor mij een goede aanleiding om me wat nader te verdieping in het nieuwe liedboek. Het leverde aardige en ook wel verrassende inzichten op, met name vanuit “genderperspectief”.

Bundel bundels

Vele maanden is er aan gewerkt. Het begon ooit met een klein congres. Zo’n bijeenkomst vergt al veel tijd en energie aan voorbereiding. Daar komt heel wat bij als je dan ook nog de bijdragen wilt publiceren. Doorgaans blijft het dan ook niet bij één congres(bundel). Het afgelopen jaar liepen er vele processen door elkaar. Bij drie daarvan was/ben ik als uitgever en auteur betrokken, bij nog eens twee alleen als auteur. De mooiste momenten in zo’n proces zijn aan het begin en het eind. Als het goed is beleef je bij de start iets van inspiratie bij het schrijven van je bijdrage. Heel fijn is aan het slot het moment wanneer je na alle schermutselingen met auteurs en uitgever het boek in handen hebt. Dat laatste overkwam me de afgelopen week twee keer.

Eerst ontving ik de bundel Fragile Dignity. Dat zijn bijdragen aan het lang lopende project van de PThU en de universiteit van Stellenbosch over menselijke waardigheid. Ik schreef daarvoor iets over de manier waarop het idee van de mens als beeld van God een rol speelt in de discussie. Dat kan veel spannender en kritischer dan doorgaans gebeurt.

Enkele dagen later kreeg ik de fraaie bundel Challenges and Perspectives in huis. Dat is een van de vruchten van ons NWO project over Byzantijnse Bijbelhandschriften. Voor mij is dit de fascinerende kennismaking met een heel andere omgang met de Bijbel. Hier ontmoeten de Westerse en Oosters-Orthodoxe benadering elkaar. Daarover gaat mijn bijdrage.

Conjectural

Het zal me mijn leven lang wel blijven achtervolgen. In 1986 ben ik gepromoveerd op een studie over het leven na de dood. Sindsdien geldt ik als deskundige op een terrein waarop men slechts iets met zekerheid kan zeggen over wat anderen erover zeggen.
Afgelopen zaterdag hield ik er een lezing over in Almere. Vandaag ontving ik een nummer van “Tijdschrift voor verkondiging” waarin ik schrijf over het geloof in de opstanding der doden naar aanleiding van het vreselijke verhaal in 2 Makkabeeën 7. TVV 10 nov 2013Tussendoor trof ik mijn naam aan in een voetnoot (nr. 7) in een artikel in het Bulletin of the American Schools of Oriental Research. BASOR 369Daarin word ik geschaard onder de mensen die een “conjectural reconstruction” geven van de dodencultus in het oude Nabije Oosten. Het is goed dat mensen zoals ik daarin gecorrigeerd worden, zo staat er bij.
Misschien moet ik bij een volgende uitnodiging maar wat terughoudender zijn.

Inmiddels is er in het “magazine voor Protestants Almere”, Spirit, een artikel van mij over dit onderwerp gepubliceerd.Leven na de dood – SPIRIT nov 2013

ouder worden

Deze week had ik mijn eerste Kerstviering. Het was een bijeenkomst met ouderen in de kerk te IJsselmuiden. Het voelde vertrouwd. In het verleden heb ik heel wat van dit soort vieringen mede vorm gegeven, zeker ook in de tijd dat ik als geestelijk verzorger in verpleeghuizen werkte. Het was dus bekend en het verliep prima. Er kwam echter onverwacht een nieuw element bij. Vroeger was ik bij dit soort gelegenheden altijd die leuke jonge predikant. Omringd door ouderen in het verpleeghuis kon ik die rol lekker lang blijven spelen. Maar het viel me op dat het niet meer gebeurt. Sterker nog: iemand maakte een grapje over het idee dat ik mogelijk ook al tot de doelgroep zou behoren. En ja, ik ben al grootvader en over vijf jaar 60+. Ik betrap me er ook op dat ik soms nadenk over mijn pensioen.

En toen viel deze week ook nog eens het blad Geroon op de deurmat: “tijdschrift over ouder worden & samenleving”. Toen ik het met bedrukt gemoed opraapte, bedacht ik me dat ik er een stukje Kopij voor Geron 2012 voor geschreven had, over de omgang in het oude Nabije Oosten met het idee van vergankelijkheid. Ik moet toegeven dat ik geboeid heb zitten lezen in dit nummer. Vooral het interview met Midas Dekkers sprak me aan, ook al zegt hij vreselijke dingen als “Van de natuur mogen we eigenlijk niet ouder worden dan een jaar of vijftig. Alles daarna is gewoon gejat” en rekent hij wel erg simpel en snel af met godsdienst: “God is de troost die wij hebben gevonden voor de doden”. Maar ik werd gegrepen door de nuchterheid waarmee hij de vergankelijkheid onder ogen ziet. Het geeft te denken en dat dit mij zo interesseert is dan waarschijnlijk toch een teken dat ik ouder word.