Oud maar levendig OTW

Vrijdag 16 mei vierden we het 75-jarig bestaan van het Oudtestamentische Werkgezelschap. Vanaf begin dit jaar mag ik voor een periode van drie jaar optreden als voorzitter van deze eerbiedwaardige groep geleerden. Dat gaat bij toerbeurt, maar dat neemt niet weg dat ik als bestuurder (samen met Paul Sanders als secretaris) me verantwoordelijk weet voor de goede voortgang. Juist door zo’n jubileum besef je ook dat je staat in een traditie. Daar werd ik sterk bij bepaald in de voorbereiding op de toespraak ter gelegenheid van het jubileum. Om de kunst af te kijken heb ik de toespraken van eerdere voorzitters in vergelijkbare situaties opgezocht: die van P.A.H. de Boer na 25 jaar, van A.S. van der Woude na 40 en 50 jaar en daarnaast ook nog een overzicht van het werk na 25 jaar door Th.C. Vriezen. Dat is een indrukwekkend rijtje voorgangers. Wie ben ik dat ik daar iets aan mag toevoegen? Ik heb mijn schroom echter overwonnen, al heb ik mij wel laten leiden door de aanpak van mijn illustere voorgangers. Dat was ook wel inspirerend. Het zijn niet alleen mannen van naam. Het is ook duidelijk dat ze wat te zeggen hadden en dat veel van hun opmerkingen ook nu nog hout snijden. Maar de tijden zijn ook wel veranderd. Ik wil vooral ook vooruit kijken. Het verleden is er niet om te herhalen.

56

Vandaag ontving ik het nieuwste nummer van Kerkinformatie met daarin een interview met mij. De tekst was mij al bekend. Ik was vooral benieuwd naar de foto. Daar was uitgebreid werk van gemaakt. Een fotograaf had me neergezet in de kapel in onze PThU vleugel in Amsterdam. Op verzoek van de redactie had ik mij geposteerd achter een rij Bijbelvertalingen en deed mijn best om vriendelijk en natuurlijk te ogen. De fotograaf was voorzien van indrukwekkende apparatuur, liet mij allerlei poses aannemen en liet zich wat dat betreft ook zelf niet onbetuigd. Vanuit allerlei standen nam hij me in het vizier. Vele malen drukte hij af, bekeek het resultaat en maakte bemoedigende opmerkingen. Tientallen foto’s heeft hij gemaakt. Daar zou vast wel een goede bij zitten. Ik had er zoveel vertrouwen in dat ik er zelfs niet aan dacht om inspraak te vragen bij de uiteindelijke keuze. Met enige verwachting sloeg ik dus het blad open. Dat viel niet mee. Ik oog oud en moe. Het zal de waarheid wel zijn die ik onder ogen moet zien. Had ik immers zelf ook niet onlangs in het redactioneel van de PThUnie van maart geschreven over mijn leeftijd. Laat ik niet zeuren en blij zijn met de inhoud, want daar kan ik helemaal achter staan.

Overigens staat er bij het redactioneel in de PThUnie gelukkig wel een vriendelijker portret, zoals in het nummer van oktober 2013. Maar die foto is dan wel weer enkele jaren oud …

In memoriam Mohammad Farooq Khan

In 2009 organiseerde ik samen met Lucien van Liere en Aart Verburg een conferentie in Utrecht over de rol van godsdienst bij conflicten. Speciale aandacht was er voor de situatie in Pakistan. Sommige deelnemers kwam daar vandaan of hadden er gewerkt. De lezingen zijn nu gebundeld en uitgegeven bij Lit Verlag in het boek Images of Enmity and Hope: The Transformative Power of Religions in Conflicts.

Een van de auteurs is Mohammad Farooq Khan. Hij hield een lezing over de Koran als boek van en voor vredestichters. Hij zelf leefde uit die overtuiging. Het was indrukwekkend te horen hoe hij probeerde om zelfmoordterroristen die waren opgepakt voordat zij hun voorgenomen daad hadden kunnen verrichten via de Koran op andere gedachten te brengen. Zijn werk werd niet door iedereen in Pakistan gewaardeerd. Een klein jaar na de conferentie kregen we het bericht dat hij was vermoord.

Bij mijn weten zijn die moordenaars niet gepakt. Vermoedelijk zullen zij zich voor hun acties op dezelfde bron beroepen als die waaruit Farooq Khan juist inspiratie putte om het geweld te bestrijden. Bij het beroep op de Bijbel door verschillende partijen is het vaak niet anders.

En toch blijf ik met Farooq Khan geloven in de positieve kracht van onze heilige boeken. Ik schreef er mijn bijdrage over. Juist teksten vol geweld in Jozua, Rechters en Nahum geven te denken over hoe wij zelf met macht en machteloosheid omgaan. Zo hebben ze de mogelijkheid om geweld juist tegen te gaan.

Water

Op vrijdag 22 maart was het wereldwaterdag. Onze kroonprins gaf bij die gelegenheid voor de laatste keer acte de présence als watermanager bij de VN. Ik mocht – niet gehinderd door veel kennis op dit terrein – een bijdrage leveren aan een watersymposium van de Nederlandse Raad van Kerken. Ik heb me daarbij niet gewaagd aan een analyse van het probleem. Dat kon ik gelukkig aan anderen overlaten (zie het verslag). Daarbij raakte ik wel onder de indruk van het probleem. Het baart mij grote zorgen, waarbij ik dan vooral denk aan grote delen van de mensheid voor wie bruikbaar water veel minder vanzelfsprekend is dan voor mij. Ik vrees dat dit ook zal gaan gelden voor mijn kinderen en kleinkinderen (ik gebruik het meervoud hier wat voorbarig, maar verwacht het tweede wel binnen een maand).

Ik beperkte mij in mijn bijdrage tot de vraag wat we vanuit onze christelijke traditie kunnen bijdragen aan de discussie. Zou hier ook iets van een profetisch geluid kunnen klinken? Ik denk het wel, maar zie het niet als mijn opdracht (ik ben geen profeet) om dat nu heel precies in te gaan vullen. Ik mag slechts hopen dat de juiste mensen gaan nadenken over de juiste vragen.

Godsdienst en geweld

Op de Vrije Universiteit gaf ik net als vorig jaar in februari een gastcollege over godsdienst en geweld in het Oude Testament. Zie hier de powerpointpresentatie die ik daarbij gebruikte. Ik heb me al eerder met dit thema bezig gehouden. In 2009 hield ik er een lezing over in Jakarta en ook een in Stellenbosch. Eerder schreef ik er een stukje over in het tijdschrift Interpretatie en later nog eens voor het Ouderlingenblad. Ook omdat ik me eerder bezig gehouden heb met de boeken Jozua en Nahum en nu werk aan een commentaar op Rechters – allemaal Bijbelboeken vol geweld – is het een thema dat me bezig blijft houden. In Amsterdam betoogde ik dat door de inbreng van godsdienst het (oorlogs)geweld kan radicaliseren, maar dat men op basis van godsdienst het vijandsbeeld juist ook kan relativeren. Het misbruik dat via het legitimeren van geweld gemaakt kan worden van God en godsdienst neemt niet weg dat God en godsdienst ook belangrijk kunnen zijn bij het zoeken naar vrede.

Ugarit en Syrië

Nu ik met de PThU naar Amsterdam ben verhuisd doet zich de mogelijkheid voor om weer wat meer met mijn oude liefde Ugarit en het Ugaritisch bezig te zijn. In samenwerking met de faculteit Oudheidkunde geef ik het college History of the Levant en vanaf februari Ugaritisch. Onlangs gaf ik een overzicht over de geschiedenis van deze oude handelsstad waar de opgravers zoveel boeiende teksten hebben gevonden. Behalve de administratieve zijn dat ook fascinerende religieuze teksten. Men vond er ook vele brieven. Op basis daarvan laten zich soms mooie verhalen vertellen, zoals over een affaire rondom de koningen. Enige tijd geleden heb ik dat nog eens op een rijtje gezet in een bijdrage aan de Kamper Bijbeldagen (daar kon het dus ook!).

Het is wel raar om te bedenken dat de mensen die nu in dat gebied wonen heel andere zorgen hebben. De burgeroorlog in Syrië duurt maar voort en lijkt alleen maar wreder te worden. Een heel klein stukje van de zorgen betreft de vraag wat er overblijft van het rijke historische erfgoed. Hierbij een treurig stemmend overzicht.

De Bijbel over Kerk en Israël

De bespreking van ons boek is redelijk goed verlopen. Zie mijn verslag in Christelijk Weekblad. Het was onvermijdelijk dat al snel de oude stellingen werden betrokken. Toch was er ook wel enige openheid. In ieder geval stelden sommigen zich enigszins kwetsbaar op. Tot een inhoudelijke discussie kwam het nauwelijks. Eén van de inleiders hield een enthousiast verhaal over het (door mij aangedragen) artikel van Shaul Magid, die wijst op de subversieve kracht van de Bijbel. In mijn bijdrage sluit ik daar op aan. Het gebruik van de Bijbel ter ondersteuning van de eigen argumenten werkt over het algemeen slecht en leidt alleen maar tot verharding van de standpunten. Het zou veel beter zijn en men zou ook de Bijbel meer recht doen wanneer hij de kans kreeg om je tegen te spreken. In ditzelfde kader was het interessant dat er ook aandacht was voor de grote rol van het apocalyptische denken binnen deze hele discussie. Het speelt een grote rol bij Christenen voor Israël, maar je vindt het ook in een islamitische variant bij de presidant van Iran. Binnen de Bijbel is deze opvatting over de manier waarop God ingrijpt in de geschiedenis niet onomstreden en zeker niet het hele verhaal.

Kerk en Israël

Op 1 november wordt de bundel Meervoudig verbonden gepresenteerd. Het is een poging om de voortdurende en in zekere zin (door de verbinding met het uitzichtsloze conflict tussen de huidige staat Israël en de Palestijnen) vastgelopen discussie over de relatie tussen kerk en Israël zo niet vlot te trekken dan wel weer eens goed tegen het licht te houden. In de aanloop daar naar toe schreef ik een stukje voor het Christelijk Weekblad. Ik probeer daarin via de beschrijving van enkele voorvallen bij eerdere discussies waarbij ik betrokken was aan te geven hoe moeilijk het is om het debat goed te voeren.

In datzelfde nummer van Christelijk Weekblad staat ook een bespreking door Theo Pleizier van het boek van Steven Paas over “Christian Zionism”. Collega Pleizier schrijft er ook uitgebreid over op zijn weblog. Er blijft dus (terecht) veel aandacht voor de vragen rondom kerk en Israël. Dat zal vooralsnog niet leiden tot enige vorm van consensus. Links en rechts staan de kemphanen – ook voor 1 november – klaar. Er wordt alvast gepikt. In eerste reacties wordt bijvoorbeeld aan de auteurs van Meervoudig verbonden dat zij voor de gemakkelijke, veilige weg kiezen van het binnenkerkelijk debat (zie de homepage van Henri Veldhuis). Iemand anders verwijt mij dat ik niet verder kom dan “studeerkamer-ethiek”. Beide constateringen zijn terecht, maar ik heb moeite met het daaraan gekoppelde waardeoordeel. Mijn benadering wordt ook ingegeven door gepaste bescheidenheid en door realiteitszin.

Intussen valt me bij het lezen van de vele stukken die nu gepubliceerd worden over het boek van Steven Paas en over de bundel Meervoudig verbonden dat twee termen steeds terugkomen: vervangingstheologie en internationaal recht. Dat zijn blijkbaar de beslissende criteria. Zij fungeren – Bijbels gesproken – als sjibbolet. In het verhaal in Rechters 12, waaraan deze uitdrukking is ontleend, gaat het er hard aan toe. Het is een zaak van leven of dood. Bij het conflict tussen Israël en de Palestijnen is dat ook zo. Daar ben ik mij terdege van bewust, in mijn studeerkamer.

Macht, God en kerk

Van het een komt het ander. Ooit ontving ik de eervolle uitnodiging van Johannes de Moor om van hem het werk aan een commentaar op Rechters in de serie Historical Commentary of the Old Testament over te nemen. Om die reden vond ik het geen bezwaar om mij tussentijds met het vergelijkbare boek Jozua bezig te houden voor de meer populariserende serie Tekst en toelichting. Inmiddels had ik ook een commentaar op Nahum (over God als wreker) geschreven. Zo ontwikkelde ik als vredelievend persoon mij tot een deskundige op het gebied van de geweldsteksten in het Oude Testament. Dat leverde mij uitnodigingen op voor deelname aan projecten over Human Dignity (in samenwerking tussen Kampen en Stellenbosch) en Religion and Violence (samenwerking tussen HKI, IIMO en PThU) en nog een aantal conferenties en studiedagen. Zo werd ik ook uitgenodigd voor een bijeenkomst van de Raad van Kerk op 26 november 2010: de jaarlijkse ethieklezing, met deze keer als thema “Macht, God en kerk”. Ik diende daar André Droogers van repliek. De tekst van mijn bijdrage werd gepubliceerd in Christelijk Weekblad.

Groningen en dodencultus

Sinds op 1 april het voorgenomen besluit bekend werd gemaakt dat de PThU zal verhuizen naar Amsterdam en Groningen vraagt men mij steeds waar ik terecht zal komen. Nu had ik al de nodige banden met Amsterdam (ik zit bijvoorbeeld in de redactie van de Amsterdamse Cahiers en mijn eerste promotie was onlangs aan de VU). Voor het goede evenwicht kan ik inmiddels echter ook melden dat ik heb bijgedragen aan het Groningse historische tijdschrift Groniek. Het gaat om een artikel over de dodencultus. Dat is een onderwerp waar ik al sinds mijn dissertatie in 1986 intensief mee bezig ben. De uitnodiging om hierover te schrijven bood me de gelegenheid de voortgaande discussie weer op te pakken.

Tegen de achtergrond van de komende “transitie” (de term die de bestuurders er voor gebruiken) van de PThU is het een  onheilspellend onderwerp. Zal de PThU in Groningen ten grave worden gedragen? Welke boze geesten uit het verleden laten zich hier gelden? Of mogen we ons afvragen of er leven in Groningen zal zijn na de dood in Kampen?