Water

Op vrijdag 22 maart was het wereldwaterdag. Onze kroonprins gaf bij die gelegenheid voor de laatste keer acte de présence als watermanager bij de VN. Ik mocht – niet gehinderd door veel kennis op dit terrein – een bijdrage leveren aan een watersymposium van de Nederlandse Raad van Kerken. Ik heb me daarbij niet gewaagd aan een analyse van het probleem. Dat kon ik gelukkig aan anderen overlaten (zie het verslag). Daarbij raakte ik wel onder de indruk van het probleem. Het baart mij grote zorgen, waarbij ik dan vooral denk aan grote delen van de mensheid voor wie bruikbaar water veel minder vanzelfsprekend is dan voor mij. Ik vrees dat dit ook zal gaan gelden voor mijn kinderen en kleinkinderen (ik gebruik het meervoud hier wat voorbarig, maar verwacht het tweede wel binnen een maand).

Ik beperkte mij in mijn bijdrage tot de vraag wat we vanuit onze christelijke traditie kunnen bijdragen aan de discussie. Zou hier ook iets van een profetisch geluid kunnen klinken? Ik denk het wel, maar zie het niet als mijn opdracht (ik ben geen profeet) om dat nu heel precies in te gaan vullen. Ik mag slechts hopen dat de juiste mensen gaan nadenken over de juiste vragen.

Godsdienst en geweld

Op de Vrije Universiteit gaf ik net als vorig jaar in februari een gastcollege over godsdienst en geweld in het Oude Testament. Zie hier de powerpointpresentatie die ik daarbij gebruikte. Ik heb me al eerder met dit thema bezig gehouden. In 2009 hield ik er een lezing over in Jakarta en ook een in Stellenbosch. Eerder schreef ik er een stukje over in het tijdschrift Interpretatie en later nog eens voor het Ouderlingenblad. Ook omdat ik me eerder bezig gehouden heb met de boeken Jozua en Nahum en nu werk aan een commentaar op Rechters – allemaal Bijbelboeken vol geweld – is het een thema dat me bezig blijft houden. In Amsterdam betoogde ik dat door de inbreng van godsdienst het (oorlogs)geweld kan radicaliseren, maar dat men op basis van godsdienst het vijandsbeeld juist ook kan relativeren. Het misbruik dat via het legitimeren van geweld gemaakt kan worden van God en godsdienst neemt niet weg dat God en godsdienst ook belangrijk kunnen zijn bij het zoeken naar vrede.

Ugarit en Syrië

Nu ik met de PThU naar Amsterdam ben verhuisd doet zich de mogelijkheid voor om weer wat meer met mijn oude liefde Ugarit en het Ugaritisch bezig te zijn. In samenwerking met de faculteit Oudheidkunde geef ik het college History of the Levant en vanaf februari Ugaritisch. Onlangs gaf ik een overzicht over de geschiedenis van deze oude handelsstad waar de opgravers zoveel boeiende teksten hebben gevonden. Behalve de administratieve zijn dat ook fascinerende religieuze teksten. Men vond er ook vele brieven. Op basis daarvan laten zich soms mooie verhalen vertellen, zoals over een affaire rondom de koningen. Enige tijd geleden heb ik dat nog eens op een rijtje gezet in een bijdrage aan de Kamper Bijbeldagen (daar kon het dus ook!).

Het is wel raar om te bedenken dat de mensen die nu in dat gebied wonen heel andere zorgen hebben. De burgeroorlog in Syrië duurt maar voort en lijkt alleen maar wreder te worden. Een heel klein stukje van de zorgen betreft de vraag wat er overblijft van het rijke historische erfgoed. Hierbij een treurig stemmend overzicht.

De Bijbel over Kerk en Israël

De bespreking van ons boek is redelijk goed verlopen. Zie mijn verslag in Christelijk Weekblad. Het was onvermijdelijk dat al snel de oude stellingen werden betrokken. Toch was er ook wel enige openheid. In ieder geval stelden sommigen zich enigszins kwetsbaar op. Tot een inhoudelijke discussie kwam het nauwelijks. Eén van de inleiders hield een enthousiast verhaal over het (door mij aangedragen) artikel van Shaul Magid, die wijst op de subversieve kracht van de Bijbel. In mijn bijdrage sluit ik daar op aan. Het gebruik van de Bijbel ter ondersteuning van de eigen argumenten werkt over het algemeen slecht en leidt alleen maar tot verharding van de standpunten. Het zou veel beter zijn en men zou ook de Bijbel meer recht doen wanneer hij de kans kreeg om je tegen te spreken. In ditzelfde kader was het interessant dat er ook aandacht was voor de grote rol van het apocalyptische denken binnen deze hele discussie. Het speelt een grote rol bij Christenen voor Israël, maar je vindt het ook in een islamitische variant bij de presidant van Iran. Binnen de Bijbel is deze opvatting over de manier waarop God ingrijpt in de geschiedenis niet onomstreden en zeker niet het hele verhaal.

Kerk en Israël

Op 1 november wordt de bundel Meervoudig verbonden gepresenteerd. Het is een poging om de voortdurende en in zekere zin (door de verbinding met het uitzichtsloze conflict tussen de huidige staat Israël en de Palestijnen) vastgelopen discussie over de relatie tussen kerk en Israël zo niet vlot te trekken dan wel weer eens goed tegen het licht te houden. In de aanloop daar naar toe schreef ik een stukje voor het Christelijk Weekblad. Ik probeer daarin via de beschrijving van enkele voorvallen bij eerdere discussies waarbij ik betrokken was aan te geven hoe moeilijk het is om het debat goed te voeren.

In datzelfde nummer van Christelijk Weekblad staat ook een bespreking door Theo Pleizier van het boek van Steven Paas over “Christian Zionism”. Collega Pleizier schrijft er ook uitgebreid over op zijn weblog. Er blijft dus (terecht) veel aandacht voor de vragen rondom kerk en Israël. Dat zal vooralsnog niet leiden tot enige vorm van consensus. Links en rechts staan de kemphanen – ook voor 1 november – klaar. Er wordt alvast gepikt. In eerste reacties wordt bijvoorbeeld aan de auteurs van Meervoudig verbonden dat zij voor de gemakkelijke, veilige weg kiezen van het binnenkerkelijk debat (zie de homepage van Henri Veldhuis). Iemand anders verwijt mij dat ik niet verder kom dan “studeerkamer-ethiek”. Beide constateringen zijn terecht, maar ik heb moeite met het daaraan gekoppelde waardeoordeel. Mijn benadering wordt ook ingegeven door gepaste bescheidenheid en door realiteitszin.

Intussen valt me bij het lezen van de vele stukken die nu gepubliceerd worden over het boek van Steven Paas en over de bundel Meervoudig verbonden dat twee termen steeds terugkomen: vervangingstheologie en internationaal recht. Dat zijn blijkbaar de beslissende criteria. Zij fungeren – Bijbels gesproken – als sjibbolet. In het verhaal in Rechters 12, waaraan deze uitdrukking is ontleend, gaat het er hard aan toe. Het is een zaak van leven of dood. Bij het conflict tussen Israël en de Palestijnen is dat ook zo. Daar ben ik mij terdege van bewust, in mijn studeerkamer.

Macht, God en kerk

Van het een komt het ander. Ooit ontving ik de eervolle uitnodiging van Johannes de Moor om van hem het werk aan een commentaar op Rechters in de serie Historical Commentary of the Old Testament over te nemen. Om die reden vond ik het geen bezwaar om mij tussentijds met het vergelijkbare boek Jozua bezig te houden voor de meer populariserende serie Tekst en toelichting. Inmiddels had ik ook een commentaar op Nahum (over God als wreker) geschreven. Zo ontwikkelde ik als vredelievend persoon mij tot een deskundige op het gebied van de geweldsteksten in het Oude Testament. Dat leverde mij uitnodigingen op voor deelname aan projecten over Human Dignity (in samenwerking tussen Kampen en Stellenbosch) en Religion and Violence (samenwerking tussen HKI, IIMO en PThU) en nog een aantal conferenties en studiedagen. Zo werd ik ook uitgenodigd voor een bijeenkomst van de Raad van Kerk op 26 november 2010: de jaarlijkse ethieklezing, met deze keer als thema “Macht, God en kerk”. Ik diende daar André Droogers van repliek. De tekst van mijn bijdrage werd gepubliceerd in Christelijk Weekblad.

Groningen en dodencultus

Sinds op 1 april het voorgenomen besluit bekend werd gemaakt dat de PThU zal verhuizen naar Amsterdam en Groningen vraagt men mij steeds waar ik terecht zal komen. Nu had ik al de nodige banden met Amsterdam (ik zit bijvoorbeeld in de redactie van de Amsterdamse Cahiers en mijn eerste promotie was onlangs aan de VU). Voor het goede evenwicht kan ik inmiddels echter ook melden dat ik heb bijgedragen aan het Groningse historische tijdschrift Groniek. Het gaat om een artikel over de dodencultus. Dat is een onderwerp waar ik al sinds mijn dissertatie in 1986 intensief mee bezig ben. De uitnodiging om hierover te schrijven bood me de gelegenheid de voortgaande discussie weer op te pakken.

Tegen de achtergrond van de komende “transitie” (de term die de bestuurders er voor gebruiken) van de PThU is het een  onheilspellend onderwerp. Zal de PThU in Groningen ten grave worden gedragen? Welke boze geesten uit het verleden laten zich hier gelden? Of mogen we ons afvragen of er leven in Groningen zal zijn na de dood in Kampen?

De Bijbel spreekt niet vanzelf

Voor PThUnie (Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit) van januari schreef ik een stukje over de aard van het onderzoek dat wij als Bijbelwetenschappers en kerkhistorici verrichten. Daarbij was het niet de bedoeling om gewichtig te doen over het hoge wetenschappelijke gehalte van ons werk. Dat kunnen we bewaren voor onderzoeksvisitaties. Het ging er nu meer om de relevantie van ons academisch gezwoeg aan te tonen. Daartoe legde ik een verband met de huidige discussies over heilige boeken en vooral ook de onzin die daarbij maar al te vaak wordt uitgekraamd. Dit stukje kwam Theo Klein, eindredacteur van Christelijk Weekblad onder ogen. Hij vroeg mij iets dergelijks ook voor dit “nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland” te schrijven. Het resultaat daarvan werd gepubliceerd in het nummer van 26 februari 2010. Zowel in PThUnie als in Christelijk Weekblad had men er een plaatje bij gezocht. In PThUnie gebeurt dat ingetogen, maar in CW wordt mijn bijdrage door de koppeling aan een verwijzing naar de film “Fitna” gebracht als een ferm statement in een maatschappelijke discussie. Op de voorpagina staat het aangekondigd met de kop “Wanneer stopt dat lukraak gepluk uit heilige teksten?” Dat sluit inderdaad aan bij de inhoud van mijn bijdrage, maar ik schrik er ook een beetje van. Het is alsof je van achter je bureau vandaan de zeepkist op wordt geduwd.

Mijn eigen kerkgeschiedenis

Dit najaar werd een boek over de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in IJsselmuiden gepubliceerd. Het is van de hand van mijn oud-docent Kerkgeschiedenis Hommo Reenders. Ik schreef er stukje over in het plaatselijke kerkblad. Het herinnert mij aan het boekje dat ik twintig jaar geleden schreef bij het eeuwfeest van de Gereformeerde kerk in Monnickendam (zie hier het eerste deel, en voor de liefhebbers: deel 2 en deel 3). Al lezend in het boek van Reenders kwam in mij af en toe hetzelfde gevoel boven als bij mijn eigen werk aan het jubileumboekje. Ons verleden is niet altijd iets om trots op te zijn. Ik vroeg me af wat ik in 1889 gedaan had in Monnickendam. Bij de bestudering van de gegevens voelde ik meer sympathie voor de mensen die binnen de kerk bleven dan voor de scheurmakers. Van het lezen over alle strijd, kleinzieligheid en heilige verontwaardiging in IJsselmuiden werd ik niet vrolijk. Laat ik het allemaal maar positief opvatten: het is een wonder dat die kerk nog leeft. Blijkbaar zit er meer achter dan mensen ervan maken.

Nieuwe kijk op de Koran

Over het algemeen word ik niet vrolijk van de Koran en nog minder van zijn lezers. Het boek blijft me vreemd en ik stoor me aan de vaak ongefundeerde kritiek van moslims op de Bijbel waaruit blijkt dat ze het moderne Bijbelonderzoek en discussies over de hermeneutiek niet serieus nemen. De ontmoeting met de Pakistaanse geleerde Muhammad Farooq Khan heeft me een nieuwe kijk op de Koran gegeven. Ik ontmoette hem bij symposia in Kampen en Utrecht (en de maaltijden tussendoor) in de eerste week van oktober dit jaar (2009). Hij presenteerde daar zijn gematigde (‘moderate’; de term ‘liberal’ vermijdt hij) visie op de Koran. Hij legt daarbij de nadruk op die delen van de Koran die spreken met respect over joden en christenen en die het belang van de menselijkheid benadrukken. Het meest opvallende daarbij is dat hij zijn criteria ontleent aan inzicht dat niet direct uit de Koran ontleend wordt: redelijkheid, gezond verstand en menselijkheid (zoals verwoord in de universele verklaring van de recht van de mens). In feite komt zijn benadering overeen met hoe wij doorgaans de Bijbel willen lezen en toepassen. Het aardige en bemoedigende is vooral ook dat dr. Khan niet de eerste de beste is. Hij heeft status en invloed in Pakistan. Ik vind dat heel bemoedigend. Het heeft in ieder geval mijn kijk op de Koran en zijn lezers veranderd. Ik schreef er een stukje over in het Christelijk Weekblad.