Groningen en dodencultus

Sinds op 1 april het voorgenomen besluit bekend werd gemaakt dat de PThU zal verhuizen naar Amsterdam en Groningen vraagt men mij steeds waar ik terecht zal komen. Nu had ik al de nodige banden met Amsterdam (ik zit bijvoorbeeld in de redactie van de Amsterdamse Cahiers en mijn eerste promotie was onlangs aan de VU). Voor het goede evenwicht kan ik inmiddels echter ook melden dat ik heb bijgedragen aan het Groningse historische tijdschrift Groniek. Het gaat om een artikel over de dodencultus. Dat is een onderwerp waar ik al sinds mijn dissertatie in 1986 intensief mee bezig ben. De uitnodiging om hierover te schrijven bood me de gelegenheid de voortgaande discussie weer op te pakken.

Tegen de achtergrond van de komende “transitie” (de term die de bestuurders er voor gebruiken) van de PThU is het een  onheilspellend onderwerp. Zal de PThU in Groningen ten grave worden gedragen? Welke boze geesten uit het verleden laten zich hier gelden? Of mogen we ons afvragen of er leven in Groningen zal zijn na de dood in Kampen?

De Bijbel spreekt niet vanzelf

Voor PThUnie (Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit) van januari schreef ik een stukje over de aard van het onderzoek dat wij als Bijbelwetenschappers en kerkhistorici verrichten. Daarbij was het niet de bedoeling om gewichtig te doen over het hoge wetenschappelijke gehalte van ons werk. Dat kunnen we bewaren voor onderzoeksvisitaties. Het ging er nu meer om de relevantie van ons academisch gezwoeg aan te tonen. Daartoe legde ik een verband met de huidige discussies over heilige boeken en vooral ook de onzin die daarbij maar al te vaak wordt uitgekraamd. Dit stukje kwam Theo Klein, eindredacteur van Christelijk Weekblad onder ogen. Hij vroeg mij iets dergelijks ook voor dit “nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland” te schrijven. Het resultaat daarvan werd gepubliceerd in het nummer van 26 februari 2010. Zowel in PThUnie als in Christelijk Weekblad had men er een plaatje bij gezocht. In PThUnie gebeurt dat ingetogen, maar in CW wordt mijn bijdrage door de koppeling aan een verwijzing naar de film “Fitna” gebracht als een ferm statement in een maatschappelijke discussie. Op de voorpagina staat het aangekondigd met de kop “Wanneer stopt dat lukraak gepluk uit heilige teksten?” Dat sluit inderdaad aan bij de inhoud van mijn bijdrage, maar ik schrik er ook een beetje van. Het is alsof je van achter je bureau vandaan de zeepkist op wordt geduwd.

Mijn eigen kerkgeschiedenis

Dit najaar werd een boek over de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in IJsselmuiden gepubliceerd. Het is van de hand van mijn oud-docent Kerkgeschiedenis Hommo Reenders. Ik schreef er stukje over in het plaatselijke kerkblad. Het herinnert mij aan het boekje dat ik twintig jaar geleden schreef bij het eeuwfeest van de Gereformeerde kerk in Monnickendam (zie hier het eerste deel, en voor de liefhebbers: deel 2 en deel 3). Al lezend in het boek van Reenders kwam in mij af en toe hetzelfde gevoel boven als bij mijn eigen werk aan het jubileumboekje. Ons verleden is niet altijd iets om trots op te zijn. Ik vroeg me af wat ik in 1889 gedaan had in Monnickendam. Bij de bestudering van de gegevens voelde ik meer sympathie voor de mensen die binnen de kerk bleven dan voor de scheurmakers. Van het lezen over alle strijd, kleinzieligheid en heilige verontwaardiging in IJsselmuiden werd ik niet vrolijk. Laat ik het allemaal maar positief opvatten: het is een wonder dat die kerk nog leeft. Blijkbaar zit er meer achter dan mensen ervan maken.

Nieuwe kijk op de Koran

Over het algemeen word ik niet vrolijk van de Koran en nog minder van zijn lezers. Het boek blijft me vreemd en ik stoor me aan de vaak ongefundeerde kritiek van moslims op de Bijbel waaruit blijkt dat ze het moderne Bijbelonderzoek en discussies over de hermeneutiek niet serieus nemen. De ontmoeting met de Pakistaanse geleerde Muhammad Farooq Khan heeft me een nieuwe kijk op de Koran gegeven. Ik ontmoette hem bij symposia in Kampen en Utrecht (en de maaltijden tussendoor) in de eerste week van oktober dit jaar (2009). Hij presenteerde daar zijn gematigde (‘moderate’; de term ‘liberal’ vermijdt hij) visie op de Koran. Hij legt daarbij de nadruk op die delen van de Koran die spreken met respect over joden en christenen en die het belang van de menselijkheid benadrukken. Het meest opvallende daarbij is dat hij zijn criteria ontleent aan inzicht dat niet direct uit de Koran ontleend wordt: redelijkheid, gezond verstand en menselijkheid (zoals verwoord in de universele verklaring van de recht van de mens). In feite komt zijn benadering overeen met hoe wij doorgaans de Bijbel willen lezen en toepassen. Het aardige en bemoedigende is vooral ook dat dr. Khan niet de eerste de beste is. Hij heeft status en invloed in Pakistan. Ik vind dat heel bemoedigend. Het heeft in ieder geval mijn kijk op de Koran en zijn lezers veranderd. Ik schreef er een stukje over in het Christelijk Weekblad.

Altijd vakantie

Nu het werk op allerlei terreinen weer de aandacht vraagt, doe ik mijn best om het gevoel van ruimte en vrijheid uit de zomertijd niet te verliezen. Ik schreef daarover een stukje voor het kerkblad van IJsselmuiden. Het is een poging om mij toe te eigenen wat ik vaak op één of ander manier lees of te horen krijg: “je moet niet zoveel moeten”. Dus zo bijzonder is wat ik schrijf niet. Ik werd wel verrast toen ik de dag nadat ik de kopij had ingeleverd in de serie “de Tien Geboden” in dagblad Trouw las dat Tatjana Simic “mijn” inzicht deelt (zie het slot van het interview).

Menselijke waardigheid

Eind juni nam ik deel aan een conferentie in Stellenbosch. Samen met collega’s van de PThU en van de universiteit van Stellenbosch bekeken we vanuit verschillen disciplines het thema “Human Dignity”. Aan mij was de taak toebedeeld om daarover iets te zeggen vanuit het perspectief van de Bijbelse theologie en daarbij in te gaan op de vraag of het beeld van een gewelddadige God afbreuk doet aan de menselijke waardigheid. Ik heb betoogd dat het tegendeel het geval is. God voelt zich volgens de betreffende teksten juist gedwongen dan in te grijpen wanneer de menselijke waardigheid op het spel staat. Hoe dat (Hij) werkt hangt sterk af van de specifieke situatie. Wat dat betreft is het heel Bijbels om God niet vast te leggen op één bepaalde eigenschap. Hij is in beweging en het zou goed zijn als ook ons denken over God in beweging zou blijven. We hebben de profetische gave van de Geest nodig om dat in te zien en toe te passen. Ik moet dat allemaal nog een keer netjes op papier zetten. Tijdens de conferentie moest ik ook nog een stukje aanleveren voor het kerkblad van IJsselmuiden. Daarin heb ik het alvast in grote lijnen samengevat.

Beeldspraak

In mijn functie als hoofdredacteur van PThUnie, het ‘Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit’, word ik geacht elk nummer te beginnen met een wervend stukje, waarin de belangstelling van de lezer gewekt moet worden. Het is steeds weer de kunst om daarbij de juiste toon te treffen: niet al te zwaar, maar ook weer niet te lichtvoetig. Het moet iets academisch uitstralen, maar ook duidelijk maken dat men niet hoeft te vrezen voor moeilijk te verteren, ingewikkeld proza.In zo’n situatie is enige ironie vaak wel passend. Deze keer kon ik mij in de inleiding en ook in een column prettig boos maken over het door mij waargenomen ongebreidelde gebruik van beeldspraak.

“Oordeelt niet!”

Voor het nummer van 5 december van Centraal Weekblad mocht ik weer het commentaar van de redactie schrijven. Dan denk je in eerste instantie aan iets aardigs, in de geest van een Sinterklaasgedichtje. Daar maak ik graag werk van. In dat soort rijmerij zit vaak wel het nodige moralisme. Dat is nauwelijks te vermijden als men zich laat inspireren door een goedheiligman met een groot boek waarin alle daden van de mensen die hij bezoekt staan vermeld. Ter voorbereiding dook ik nog eens in de niet aflatende stroom aan actuele informatie die ons via internet worden aangeboden en in de misschien nog wel grotere stroom aan commentaar daarop. Ik werd getroffen door een heftige discussie op de website van Trouw over de mogelijk te lage straf voor een jonge misdadiger en besefte dat het wel heel verleidelijk is om op de rechterstoel plaats te nemen. Mensen spreken wel heel snel heel harde oordelen uit. Een beetje tegenwicht kan geen kwaad. En laat men ook eens naar zichzelf kijken. Daar zijn goede Bijbelse gronden voor (zie de titel boven dit stukje), maar die heb bewust achterwege gelaten, net zo goed als we blijkbaar Sinterklaas niet nodig hebben om ons moralisme bot te vieren.

Verandering?

Zo ongeveer eens per maand lever ik de tekst voor het ‘commentaar van de redactie’ in Centraal Weekblad. Daarbij probeer ik natuurlijk zoveel mogelijk aan te sluiten bij de realiteit. De afgelopen week was dat moeilijk. Het was duidelijk dat bijna iedereen met belangstelling de verkiezingsstrijd in de USA volgde. Bij het verschijnen van het nummer van CW zou de uitslag bekend zijn. Het zou mooi zijn als ik daarop kon reageren. De kopij moet echter aan het begin van de week ingeleverd worden, op een moment dus dat nog niet zeker was wie zou gaan winnen. Ik stond voor de verzoeking om te gokken op de te verwachten overwinning van Obama. Waarschijnlijk zou de eindredacteur dat echter niet hebben toegelaten. Bovendien weet je ook maar nooit met die Amerikanen. Al eerder – tot tweemaal toe bij de verkiezing van George W. Bush – hebben zij laten zien heel anders te denken dan de gemiddelde Europeaan. Ik koos er dus voor om in te gaan op het door beide kandidaten centraal gestelde thema: verandering. Ik schreef er een zuinig stukje over. Misschien zou ik er, nu duidelijk geworden is dat Obama inderdaad gewonnen heeft, iets optimistischer over moeten zijn. Maar ik houd mijn twijfels. Het blijft mensenwerk en mensen moeten wel zelf willen veranderen.

Bidden

Lang geleden vroeg Klaas van der Kamp mij na een kerkdienst om de tekst van mijn gebeden, om die op de website van de Raad van Kerken te plaatsen. Ik kon hem toen niet van dienst zijn, want ik schrijf mijn gebeden doorgaans niet uit. Ik beloofde hem een en ander op papier te zetten. Daar kreeg ik spijt van. Het is makkelijker voor mij, zo ontdekte ik, om wetenschappelijke betogen te formuleren dan om gezeten achter de computer een gebed uit te schrijven. Pas kwam ik Klaas weer tegen en bevestigde ik onze afspraak. Het resultaat – een aantal gebeden die ik uitsprak tijdens twee kerkdiensten in Kampen op zondag 26 oktober 2008 – is nu te lezen op de genoemde website. Het was voor mij een goede oefening. Ook dit onderdeel van de liturgie verdient een zorgvuldige voorbereiding. Ik zie het ook als een training in het zoeken naar goede formuleringen. Voor mijn eigen beleving als voorganger is het belangrijk om me mede te laten leiden door de emoties van het moment en dus de gebeden niet vooraf uit te schrijven. Door het af en toe wel te doen word ik mij bewust van de keuzes die ik maak en kan ik voorkomen dat ik verval in al te gemakkelijk uitgesproken en daardoor wellicht holle frasen.