Bijbelse theologie en Amsterdam

Afgelopen zaterdag was ik uitgenodigd om bij een bezoek van een delegatie van de Duitse kerk (EKD) aan de PKN iets te vertellen over de manier waarop momenteel aan Nederlandse theologische faculteiten Bijbelse theologie wordt gedoceerd. In het verslag van dat bezoek op de website van de PKN wordt voornamelijk aandacht geschonken aan de rede door bisschop Huber. Helaas was hij nog niet aanwezig toen ik mijn bijdrage leverde. En ik was zelf ook al weer met andere dingen bezig toen hij op maandag het gesprek inleidde. Hij legde daarbij de nadruk op de rol die de kerken zouden moeten spelen om wereldwijd aandacht te vragen voor mensenrechten. Dat sloot, zo stel ik nu achteraf vast, goed aan bij wat ik zaterdagmiddag te berde bracht. Ik vertelde toen over de aantrekkingskracht indertijd op studenten, waaronder veel Duitse, van de manier waarop in Amsterdam door Frans Breukelman c.s. Bijbelse theologie werd gedoceerd. De kracht van die benadering lag mijns inziens in de geslaagde verbinding tussen een goede lezing van de Bijbel, een heldere dogmatiek en een enthousiaste betrokkenheid bij de actualiteit. Het is goed om dat te blijven zoeken. Ik zie zelf die verbinding tegenwoordig vooral in de interculturele lezing van de Bijbel en dat heeft raakvlakken met de door bisschip Huber aangekaarte thematiek.

Jozua

Deze maand verscheen eindelijk deel 24 van de Amsterdamse Cahiers. Dat had eigenlijk nog in 2008 moeten gebeuren. Maar redactiewerk kost nu eenmaal veel tijd en bij uitgaven als deze moet dat allemaal naast het andere (wèl betaalde) werk gebeuren. Het is ook verstandig om jezelf niet al te veel op te (laten) jagen. Zeker bij een uitgave van de Amsterdamse Cahiers geldt dat het ook iets van liefhebberij heeft. Voor de wetenschappelijke status hoef je het niet te doen. Je hoopt wel dat er iets in doorklinkt van het werken met plezier aan de uitleg van de Bijbel.

Aan dit nummer heb ik weer eens een overzicht van het onderzoek bijgedragen. Het is niet de eerste keer dat ik dit doe. Het is ook niet de eerste keer dat dit uit nood geboren is. Het is vaak niet makkelijk om iemand te vinden die deze arbeidsintensieve klus op zich neemt. Ik vind het ook wel mooi werk om te doen: enig houvast bieden in de niet aflatende stroom van publicaties door te verzamelen, te schiften en te ordenen. Let ook op het passende slot.

Mijn tweede bijdrage is een artikel dat meer over Rechters dan over Jozua gaat. Dat (de uitleg van het boek Rechters) is immers het onderwerp waar ik me de komende tijd op wil concentreren. Bij al dat geschrijf op verzoek moet je goed opletten dat je de eigen onderzoeksdoelen niet uit het oog verliest. Nu liet een en ander zich deze keer goed combineren, omdat het begin van Rechters het slot van Jozua bijna woordelijk herhaalt.

De humor van de Bijbel

Onlangs verscheen een artikel van mij in het tijdschrift Interpretatie over humor in de Bijbel. Dat is een bewerking van een uitgebreider stuk dat ik eerder voor Kabats, het blad van de theologische faculteit van de VU, schreef. Het is een boeiend onderwerp. Maar het is ook riskant om erover te schrijven. Humor is immers subjectief. Zo’n studie zegt waarschijnlijk ook heel veel over de schrijver zelf.

Het nut van conferenties

Het conferentieseizoen is dit jaar weer vroeg begonnen. De meeste bijeenkomsten voor mensen die zich zoals ik op wetenschappelijke wijze met de Bijbel bezig houden, zijn in de zomertijd. Met uitzondering van de allergrootste: de Annual Meeting van de Society of Biblical Literature die elk jaar ergens in november, kort voor Thanksgiving, in de VS gehouden wordt. Voor mij startte het dit jaar weer in Praag. Daar wordt elk jaar in de week na Pasen een Colloquium Biblicum gehouden. Dat is een kleinschalige bijeenkomst waar vooral mensen komen die enige affiniteit hebben met de manier waarop exegeten als Karel Deurloo (“Amsterdamse School”) en Bernd Diebner het Oude Testament benaderen. In een goede, open sfeer wordt daar met passie Bijbel gelezen. Ik was er nu voor de tweede keer en hoop dat het een goede traditie wordt dat men ook vanuit de PThU deelneemt, omdat er veel raakvlakken zijn met de manier waarop wij aan onze universiteit de Bijbelse theologie benaderen.

De conferentie vindt steeds in de week na Pasen plaats omdat men dan in Praag vakantie heeft. Bij ons is dat wat anders geregeld en ik moest allerlei afspraken verzetten. Ik had echter niet goed opgelet en daardoor moest ik op het laatste moment twee kerkdiensten afzeggen. Om mij te verantwoorden schreef ik een stukje in het kerkblad over het nut van conferenties.

De Bijbel als antidepressivum

Onlangs wijdde het tijdschrift Interpretatie een nummer aan het thema ‘Geestelijke gezondheid’. Het inleidende artikel door Sytze Ypma heeft als pakkende titel ‘De bijbel als antidepressivum’. Hij had eerder al een boek geschreven over dit onderwerp: Geloven als antidepressivum (Zoetermeer 2008). Begin januari stond er ook een artikel over in dagblad Trouw.  Daarmee treedt hij in het voetspoor van Eugen Drewermann. Ook hij verbindt exegese en psychotherapie. Voor het genoemde nummer van Interpretatie schreef ik een kritisch stukje over de persoon (zijn ‘drive’) en het werk van Drewermann. Het is duidelijk dat hij een punt heeft, maar ik ervaar het ook als storend dat hij steeds weer dat ene punt wil maken. Daarmee doet hij mijns inziens te kort aan de Bijbel.

Overigens heb ik me zelf in het verleden ook wel gewaagd als psychologiserende uitleg, niet alleen vanaf de kansel (zoals dat zo vaak gebeurt) maar ook in geschrifte, namelijk over de gemoedstoestand van koning Hizkia volgens Jesaja 38.

Opnieuw Nahum

Wanneer je wordt uitgenodigd om een lezing te houden bij een congres, dan vraagt men vaak om iets te zeggen over een onderwerp waar je al lang niet meer mee bezig bent. Momenteel werk ik hard aan een commentaar op het boek Rechters, maar men kent mij vooral van mijn commentaar dat ik nu alweer meer dan tien jaar geleden over Nahum schreef. Vanwege die bestudering van Nahum heb ik mij in die tijd ook intensief bezig gehouden met andere kleine profeten, vooral met het verwante boek Jona. Dat leverde mij de vraag op om mee te doen aan een serie lezingen over Jona tijdens een congres in Lissabon in de zomer van 2008. Die serie is nu gepubliceerd in het online tijdschrift The Journal of Hebrew Scriptures. Mijn bijdrage is een reactie op de lezing van Jacob Wöhrle waarin hij op klassiek Duitse wijze de tekst van Jona en andere profeten uiteenrafelt en verdeelt over verschillende redacties. Ik stel daartegen voor om vast te houden aan de eenheid van de boeken Jona en Nahum en kom met een simpeler verklaring voor de overeenkomsten tussen deze en andere boeken.

Wat ik mij van die bijeenkomst in Lissabon vooral herinner was de aanblik van de vliegtuigen die tamelijk laag over vlogen op weg naar het nabij gelegen vliegveld. Verder was ik verbijsterd door de hardheid waarmee enkele Duitse collega’s elkaar de pan uitveegden. Achteraf begreep ik dat dit te maken had met elkaar bestrijdende scholen. De manier waarop ik op Wöhrle reageerde was hiermee vergeleken een toonbeeld van nuance en zachtmoedigheid.

50 en het leedvermaak daarbij

In de zomer van 2007 hield ik op een gezamenlijke bijeenkomst van de Zuid-Afrikaanse en Nederlands/Belgische werkgezelschappen voor de studie van het Oude Testament een lezing over leedvermaak. Het thema van de bijeenkomst was “Exile and Suffering”. Het leek me aardig om de dingen eens van een andere, onverwachte kant te bekijken. Daarbij werd ik in de eerste plaats geïnspireerd door de bijtende spot waarmee in Jesaja 14 de val van de koning van Babel wordt beschreven. Het artikel is nu gepubliceerd in het vijftigste deel van Oudtestamentische studiën.

Ik zal me die bijeenkomst vooral herinneren vanwege het feit dat ik daar 50 jaar werd. Het speet me niet dat ik door deze gewichtige activiteit de festiviteiten rondom dit feest mis zou lopen. De geforceerde gezelligheid en drukte van verjaardagsfeesten is niet aan bij besteed. Het was de organisatoren van de bijeenkomst in Pretoria echter niet ontgaan dat ik precies even oud was als het werkgezelschap in Zuid-Afrika. En tijdens het diner ter gelegenheid van het jubileum van de OTSWA kreeg ik dus een toespraak (van mijn vriendelijke collega Jurie le Roux), cadeautje en werd ik zelfs toegezongen. Ik beschouwde dit niet als leedvermaak.

Beeldspraak

In mijn functie als hoofdredacteur van PThUnie, het ‘Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit’, word ik geacht elk nummer te beginnen met een wervend stukje, waarin de belangstelling van de lezer gewekt moet worden. Het is steeds weer de kunst om daarbij de juiste toon te treffen: niet al te zwaar, maar ook weer niet te lichtvoetig. Het moet iets academisch uitstralen, maar ook duidelijk maken dat men niet hoeft te vrezen voor moeilijk te verteren, ingewikkeld proza.In zo’n situatie is enige ironie vaak wel passend. Deze keer kon ik mij in de inleiding en ook in een column prettig boos maken over het door mij waargenomen ongebreidelde gebruik van beeldspraak.

Profeten en Kerst

Over Kerstmis moet je niet zeuren. De kritiek over gebrek aan diepgang is voorspelbaar en heeft daarom weinig overtuigingskracht. Wat mij zelf helpt om de zin van het feest te zien en om het goed te vieren, is de profeten aan het woord te laten. Hierbij heb ik de versregels uit Gezang 284:1 in mijn hoofd:

“opdat de mensen weten

uw heilige profeten

zijn niet verblind geweest”.

Voor Centraal Weekblad en voor het Kerkblad van IJsselmuiden schreef ik stukjes waarin ik probeer het profetische geluid te laten klinken. Niet om het feest te bederven, maar om het voluit te vieren.