Steeds weer word ik gevraagd om stukjes te schrijven waarin uitgelegd wordt dat het Oude Testament het lezen waard is. Pas weer heb ik dat gedaan voor het Ouderlingenblad met als titel ‘Oudtestamentisch = gewelddadig = verwerpelijk?’ De afgelopen weken heb ik ook gewerkt aan een hoofdstuk voor een leerboek voor PABO studenten over godsdienstonderwijs. Daarbij moet je zo ongeveer bij 0 (nul) beginnen. Er mag niets bekend worden verondersteld. Dat heeft dan wel weer als voordeel dat je ook niet zoveel vooroordelen hoeft weg te halen. Je hoeft ‘alleen maar’ te laten zien hoe goed dit boek of liever: deze boeken zijn.
Auteur: Klaas Spronk
bijbelenkoran.nl
Voor Centraal Weekblad en voor Theologisch Debat schreef ik een kritisch commentaar bij de presentatie van een nieuwe website: de dialoog en het debat met de Islam wordt al te simpel voorgesteld. Tot mijn vreugde zag ik op de podiumpagina van Trouw dat Pieter van der Horst dezelfde kritische mening is toegedaan.
Kerk, Israël en de Palestijnen
De nota van de PKN over de relatie tussen kerk in Israël in het licht van de huidige politieke situatie deed veel stof opwaaien. Via een commentaar in Centraal Weekblad en een bijdrage in datzelfde weekblad over de visie van prof. Vriezen heb ik een bijdrage aan de discussie proberen te leveren.
Kind op zondag
Zojuist heb ik mijn lijst van publicaties aangevuld. Het aardige is dat die nu begint en eindigt met de vermelding van stukjes die ik schreef voor tijdschriften met materiaal voor de kerkdienst. In 1980 begon ik als student mee te werken aan De eerste dag. Dat heb ik tien jaar gedaan. Van 1993 tot 2003 heb ik geschreven voor Kind en Zondag (later Kind op zondag). Voor de Adventsperiode van dit jaar was ik uitgenodigd als gastschrijver en heb ik exegetische bijdragen geschreven bij de oudtestamentische lezingen uit het Lutherse rooster: Jes. 40:1-11; 2:2-5; 35:1-10 en 62:8-63:4. In academische kringen “scoor” je daar niet mee. Wat telt zijn wetenschappelijke artikelen in gerenommeerde tijdschriften die werken met kritische “reviewers”. Ik waag me ook wel in dat circuit, maar ik heb me voorgenomen dat alleen te doen als ik iets interessants te melden heb. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat veel collega’s in de eerste plaats publiceren om zichzelf te presenteren. Voor velen is het “publish or perish”. Die druk voel ik niet zo. Ik heb het dan ook veel makkelijker bijvoorbeeld dan mijn vakgenoten in Zuid-Afrika. Zij krijgen betaald voor hun wetenschappelijke publicaties. En bij hun salaris hebben ze dat hard nodig.
Het liefst doe ik beide: wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel en de “vertaling” daarvan in meer populariserende stukjes (zoals ook in Interpretatie, Schrift en Centraal Weekblad). Het rare is dat je met die laatste veel meer mensen bereikt en dus waarschijnlijk in het algemeen ook meer bereikt dan met het academische werk. Aan de andere kant is het ook weer wel zo dat door af en toe diep te graven de bronnen van inspiratie minder snel opdrogen.
Canonisatie een spannend onderwerp
Eind oktober hielden we voor de vijfde keer de Kamper Bijbeldagen. Het onderwerp was deze keer de canon: waarom staan sommige boeken in de Bijbel en andere niet? Ter voorbereiding en voor de reclame had ik een stukje geschreven in Centraal Weekblad. Aanvankelijk was ik niet zo enthousiast over dit onderwerp. Ik associeerde het met saaie opsommigen en afgezaagde discussies in de marge over Hooglied en de brief van Judas. Het had misschien ook te maken met de herinnering aan teksten over dit onderwerp van mijn verre voorganger J.L. Koole die ik als jong student had moeten doornemen. Dat vond ik toen maar saai. Nu ik weer mee aan de gang ging, besefte ik dat Koole indertijd niet saai was, maar voorzichtig. Het was en is namelijk een heel spannend onderwerp. Het gaat over het probleem dat er binnen de Bijbel heel verschillende en soms zelfs tegengestelde visies voorkomen. En verder blijkt dat als je nagaat hoe de canon tot stand kwam, er soms ook oneigenlijke factoren een rol spelen. Ook gaat het om de vraag of je de vastgelegde tekst wel goed kunt begrijpen zonder de voortgaande levende traditie van tekstuitleg en toepassing. Dat zijn explosieve zaken. In zijn tijd moest Koole daar heel omzichtig mee omgaan. Bij de Bijbeldagen ontmoette ik enkele oud-studenten van hem. Zij hadden zijn colleges als heel spannend ervaren. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij het gesprek aan met de orthodoxie. Zo ver als ik ga in mijn artikel zou hij niet zijn gegaan, maar hij heeft wel de weg bereid.
Jan Wolkers en de Gereformeerden
In vrijwel alle herdenkingsartikelen over de vorige week overleden Jan Wolkers wordt melding gemaakt van zijn gereformeerde afkomst. In Centraal Weekblad heb ik daar publiekelijk wat verder over nagedacht.
Het ambacht van het redigeren
Academici worden afgerekend op hun wetenschappelijke productie. Men wordt geacht regelmatig te publiceren in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften. En minstens eens in de vier à vijf jaar moet er ook een boek het licht zien. Daarmee toont men aan de wetenschappelijk status waardig te zijn: Publish or perish. Dit leidt er toe dat er steeds mee wordt gepubliceerd.
Steeds vaker wordt de schrijver ook geacht zelf zijn/haar tekst zodanig vorm te geven dat deze zonder verdere inbreng van zetters of andere uitgeefkundige deskundigheid kan worden vermenigvuldigd. Men zou dit kunnen zien als een van de zegeningen van het computertijdperk, waarbij ieder de middelen heeft om teksten te kunnen vormgeven. In de praktijk blijkt dat dit vaak leidt tot slechte vormgeving, maar de kostenbesparing blijkt voor veel uitgevers belangrijker dan de kwaliteit van de vormgeving.
Hoe dan ook, er gaat tegenwoordig veel tijd zitten in het redigeren van teksten. De afgelopen tijd heb ik aan drie uitgaven zitten werken: de duitse vertaling van het boek van Cees Houtman en mij over de dochter van Jefta (uitgave door LIT Verlag), de teksten van de Kamper Bijbeldagen 2006 over het Godsbeeld (met gelukkig wel de nodige bijstand door uitgeverij Meinema) met daarin een bijdrage van mijn hand over het beeld van God in het Oude Testament en het laatste nummer van de Amsterdamse Cahiers, waarvoor ik ook nog het artikel van Eckhart Otto heb vertaald, een flinke klus.
Bij onderzoeksvisitaties is er weinig oog voor dit monnikenwerk. Ten onrechte.
Bijbellezen met het Leger des Heils
De afgelopen week heb ik aan een tweedaagse conferentie van medewerkers van het Leger des Heils deelgenomen. Mijn rol is die van “huisprofessor”, zoals een majoor mij noemt, aangezien ik al vele jaren mijn bijdrage op het gebied van de exegese bij cursussen en congressen van het Leger des Heils lever. Dat is een intensieve bezigheid, want men laat zich daar geen knollen voor citroenen verkopen. Vooral de vraag naar de relevantie wordt nadrukkelijk gesteld. Aan de andere kant krijg je er ook veel voor terug. Men heeft er zijn eigen spiritualiteit, waarbij naast de bekende daadkracht vooral ook de authenticiteit van centrale betekenis is.
Vanuit mijn ervaringen met het Leger des Heils schreef ik enkele maanden geleden een commentaar in Centraal Weekblad (6 juli 2007) bij het overlijden van majoor Bosshardt. In de gesprekken die ik de afgelopen dagen met enkele mensen uit haar naaste omgeving mocht voeren werd mij duidelijk hoezeer zij voortleeft in de mensen van het Leger des Heils die minder bekend zijn dan zij maar even betrokken en geïnspireerd als zij.
De kunst van het commentaar
Deze week mocht ik weer het “commentaar van de redactie” leveren voor Centraal Weekblad. Dat is een hele kunst. Het moeilijkst is misschien nog wel om het juiste onderwerp te vinden. Het moet actueel zijn en zich ergens op het grensvlak van kerk en samenleving bevinden. Ik heb nog met studenten overlegd. Iemand suggereerde om in te gaan op het bericht dat een Amerikaanse senator een rechtszaak tegen God had aangespannen. Misschien was er ook nog wel verband te leggen met de Australische film van enkele jaren terug “The Man Who Sued God”. Die film is inderdaad heel aardig, maar gaat meer om het gevecht tegen verzekeringsmaatschappijen. De senator is vooral boos op mensen die voor van alles en nog wat (in de eerste plaats hun eigen gewin) rechtzaken aanspannen. Ik koos dus voor Uruzgan. Dat heeft vooral ook met onze buren te maken. Hun kleinzoon is sinds kort uitgezonden. Ik kan me voorstellen hoe spannend dit voor hen moet zijn. Het zegt in ieder geval wat over de ernst van de beslissing die de regering binnenkort moet nemen.
Het schrijven van recensies
Deze week verscheen op het internet in de Review of Biblical Literature mijn recensie van het boek van Gregory Wong, Compositional Strategy of the Book of Judges: An Inductive, Rhetorical Study.
http://www.bookreviews.org/bookdetail.asp?TitleId=5652
Mijn bespreking is wel erg kritisch. Dat zal mensen die mij kennen wellicht verbazen, want over het algemeen stel ik mij opbouwend op. Wanneer studenten of collega’s komen met bepaalde ideeën ben ik doorgaans ook geneigd daar positief op te reageren. Het lijkt erop alsof ik schriftelijk anders reageer. Mijn pen is scherper dan mijn tong.
Nu schijnt dat vaker voor te komen. Onlangs sprak ik een Duitse en een Nederlandse collega die vaker nog dan ik boekrecensies schrijven, in respectievelijk het Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft en het Nederlands Theologisch Tijdschrift. Het zijn beide heel aimabele mensen. Toen het gesprek echter op het schrijven van recensies kwam vertelden zij beiden met een zekere voldoening hoe hard zij sommige publicaties, die dat in hun ogen ook zeer verdienden, hadden afgekraakt. Daar is mijn stukje over Wong niets bij. De Duitse collega was zich zozeer van zijn venijn bewust dat hij zijn stukjes eerst door zijn vrouw liet lezen. Die houdt het ergste tegen.