Ethiek, esthetiek en de Bijbel

Deze maand nam ik deel aan een workshop “Po/et(h)ik” in Mainz. Achter de mysterieuze titel gaat de gedachte schuil dat er een relatie is tussen ethiek en schoonheid. Dat is een thema dat een grote rol speelt in het werk van Dorothea Erbele-Küster. Zij had de workshop ook georganiseerd. Bij deze gelegenheid kreeg zij een Festschrift aangeboden. Dat had te maken met haar afscheid van de Faculteit van Protestantse theologie in Brussel. De fraaie titel van dit door Peter Tomson en Jaap de Lange geredigeerde boek luidt ‘So good, so beautiful’. Studies into Psalms, ethics, aestethics, and hermeneutics. Op deze foto heeft Dorothea het boek in handen. Zij wordt geflankeerd door oud-collega’s van de PThU: Akke van der Kooi, Magda Misset-van de Weg en mij.

Mijn bijdrage daaraan is een artikel over de ethiek in het boek Rechters. Tijdens de workshop las ik met de deelnemers het lied van Debora (Re. 5), dat een mooi voorbeeld is van de combinatie van bedenkelijk handelen en fraaie literatuur. Te zijner tijd zullen de bijdragen aan de workshop worden gepubliceerd in een nummer van Semeia.

De “Spronk synthesis”

Enige ijdelheid is mij niet vreemd. Dus bij het doornemen van de vakliteratuur kijk ik ook altijd even of ik misschien nog ergens wordt geciteerd. De kans is momenteel het grootst bij publicaties over Nahum. Ik scoor ook nog wel eens op het terrein van het onderzoek naar voorstellingen over het leven na de dood. Zo bladerde ik met enige verwachting door het boek van Christopher B. Hays, Death in the Iron Age II and in First Isaiah (2011). Tot mijn blijde verrassing was ik volgens het auteursregister vele malen geciteerd. Nu zegt dat nog niet alles. Soms schop je het niet verder dan een vermelding in literatuurlijstjes. Wat me ook nogal eens overkomt is dat men met mij van mening verschilt. Maar deze keer was dat anders. Er bleek een aantal bladzijden aan mijn dissertatie Beatific Afterlife in Ancient Israel and the Ancient Near East en de receptie daarvan te zijn gewijd. Nog mooier is dat de auteur mij tot boegbeeld maakt van de theorie dat er in de wereld van het Oude Testament sprake moet zijn geweest van een dodencultus en daarmee hangende positieve voorstellingen van het leven na de dood. Hays noemt dit de “Spronk synthesis”.  In zijn evaluatie laat hij zien dat er aanvankelijk flink kritiek was op mijn opvattingen, maar dat ik later ook weer meer bijval heb gekregen. Erg leuk om te lezen.

Mijn dissertatie is te vinden op dit weblog op de pagina met de lijst van publicaties. Wie afzakt tot 1986 vindt daar een scan in drie delen.

 

Houdt het dan nooit op?

Het is een scene aan het slot van de film Zwartboek. De hoofdrolspeelster roept vertwijfeld uit na de zoveelste onaangename wending waarbij steeds uit onverwachte hoek onrecht en geweld opspelen: “Houdt het dan nooit op?!” Misschien is het wel de kern van het geloof dat we erop durven vertrouwen dat het wel een keer ophoudt en dat aan het einde het recht het wint.

Wat in ieder geval ook niet ophoudt – en terecht – is de discussie over geloof en geweld. Op verzoek van de redactie van het tijdschrift Tussenruimte heb ik er een artikel over geschreven. Dat kan dan ook mooi dienen als basis voor de studiedag over dit onderwerp op 1 juli.

Bijbel en internet

Van de redactie van Bibliotheca Orientalis ontving het verzoek om een artikel te schrijven over “web-based resources” op het terrein van het Oude Testament. Ik weet niet waaraan ik deze eer te danken had. Ik heb ooit wel eerder over Bijbel en computer geschreven: in een bijdrage voor Interpretatie uit 1999 en een artikel samen met Jan-Wim Wesselius voor Theologisch Debat in 2006. Maar als je daar weer eens naar kijkt, dan zie je vooral hoe snel alles op dit terrein veroudert. Nu kreeg ik in ieder geval de kans om up-to-date te blijven, al is wat ik enkele maanden geleden schreef inmiddels ook al weer verouderd. Eigenlijk is zo’n artikel in een tijdschrift ook geen goede manier om dit soort informatie door te geven. Een goed en vooral ook regelmatig bijgehouden blog is beter. Daar verwijs ik dan ook naar. Niettemin ben ik heel blij met deze publicatie, met het goede gezelschap waarin verkeer en met het feit dat dit nummer online is gezet. Een nadeel daarbij is dan wel weer dat op deze manier de links naar de verschillende webpagina’s verdwenen zijn. Daarom voeg ik voor de lezer dezes de tekst als Word-file (dus met de links) toe.

 

Kerst 2014

Er zijn tijden geweest dat ik een overdaad aan Advent- en Kerstvieringen te verwerken kreeg. Dat was vooral tijdens mijn werkzaamheid als geestelijk verzorger in een viertal verpleeghuizen. Een “hoogtepunt” was een Kerstviering in een van die huizen, waarbij elke afdeling gelijktijdig zijn eigen viering had. Bij elk daarvan werd ik geacht om op pastorale wijze acte de présence te geven. Dat leidde tot een voor mij moeilijk te verteren overdaad aan pasteitjes en stichtelijkheid. Ik voel me prettiger bij de huidige situatie. Het blijft beperkt tot een voortijdige Kerstviering op de universiteit (mijn rol bleef beperkt tot die van bas bij het gelegenheidskoortje, met alleen een repetitie een uur voorafgaand aan de viering), een adventsdienst in Zwartsluis (waarin ter nagedachtenis van een overleden gemeentelid “Daar ruist langs de wolken” werd gezongen; van oorsprong een Kerstlied, mij vooral ook herinnerend aan de honderden keren dat ik het in de verpleeghuizen heb gezongen) en een artikel in het Christelijk Weekblad. Dat laatste is gebaseerd op het inzicht van Hartmut Gese dat de weg die Jezus volgens het evangelie gaat – god die mens wordt – de omkering is van de weg die in de oudheid veel koningen werd toegedicht – mens die god wordt. Ik werd daarop gewezen door mijn leermeester Ed Noort, nu alweer zo’n 35 jaar geleden. Ik word oud.

De ware profeet

Voor een conferentie van Brabantse en Vlaamse werkgroepen over kerk en Israël leverde ik een bijdrage over Heschel en zijn boek over de profeten. Ik ben vooral onder de indruk van de manier waarop Heschel duidelijk maakt dat profetie met pathos te maken heeft. Dat gaat over Gods pathos, over de profeten die dat oppikken en ook met pathos doorgeven, en over hoe hun boodschap alleen maar goed begrepen wordt als de hoorders zich iets van dat pathos eigen maken. Het indrukwekkende bij Heschel is dat dit in zijn eigen leven duidelijk wordt.

Vandaag las ik ook in de “verdiepende bijlage” bij het blad Kerk en Israël Aktueel over het thema “Profetie en toekomst”. Dat riep heel andere gevoelens in mij op. Ik stoor mij aan de stelligheid waarmee beweerd wordt dat de stichting van de staat Israël in 1948 en ook de verovering van de Westbank in 1967 uitgelegd worden als vervulling van profetieën in het Oude Testament. Ik huiver bij de aankondiging van de bouw van de derde tempel in Jeruzalem. Het wordt nog wel als vraag geformuleerd: “Nu zijn er nieuwe ontwikkelingen die de hoop op de nieuwe tempel op de Tempelberg in Jeruzalem weer doet opleven. Maar er zijn heel wat vragen. Wie blaast het islamitische heiligdom, de Rotskoepel, op? Komt er wel een derde tempel? Wat zegt de Bijbel hierover?” In zijn artikel hierover laat Jan van Barneveld er echter geen twijfel over bestaan dat die derde tempel er zal komen en dat dit de wil van God is. Hij ziet al allerlei aanwijzingen/tekenen die in die richting wijzen. Zijn handen jeuken als het ware om mee te gaan bouwen en ook om het voorbereidende breekwerk te verrichten. Zou de veel aangehaalde Ezechiël blij zijn geweest met deze uitleg van zijn profetieën? Ik betwijfel het ten zeerste en heb grote aarzelingen bij dit pathos.

Pinksteren

Voor het Christelijke Weekblad schreef ik (op verzoek) een stukje over de Bijbelse achtergronden van Pinksteren. Het moest natuurlijk vooral ook over inspiratie gaan. Dat is misschien wel het belangrijkste wat het christelijk geloof te bieden heeft. Toch leeft juist het feest dat daarover gaat misschien wel het minst. Daarom pleit ik ervoor om het meer te koppelen aan het schokeffect van Pasen. Dat is ook Bijbels.

De Godsnaam in het nieuwe Liedboek

Voor Muziek & liturgie, het tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici schreef ik op verzoek van de redactie een stukje over het gebruik van de Godsnaam in de berijmde Psalmen. Dat was voor mij een goede aanleiding om me wat nader te verdieping in het nieuwe liedboek. Het leverde aardige en ook wel verrassende inzichten op, met name vanuit “genderperspectief”.

Oud maar levendig OTW

Vrijdag 16 mei vierden we het 75-jarig bestaan van het Oudtestamentische Werkgezelschap. Vanaf begin dit jaar mag ik voor een periode van drie jaar optreden als voorzitter van deze eerbiedwaardige groep geleerden. Dat gaat bij toerbeurt, maar dat neemt niet weg dat ik als bestuurder (samen met Paul Sanders als secretaris) me verantwoordelijk weet voor de goede voortgang. Juist door zo’n jubileum besef je ook dat je staat in een traditie. Daar werd ik sterk bij bepaald in de voorbereiding op de toespraak ter gelegenheid van het jubileum. Om de kunst af te kijken heb ik de toespraken van eerdere voorzitters in vergelijkbare situaties opgezocht: die van P.A.H. de Boer na 25 jaar, van A.S. van der Woude na 40 en 50 jaar en daarnaast ook nog een overzicht van het werk na 25 jaar door Th.C. Vriezen. Dat is een indrukwekkend rijtje voorgangers. Wie ben ik dat ik daar iets aan mag toevoegen? Ik heb mijn schroom echter overwonnen, al heb ik mij wel laten leiden door de aanpak van mijn illustere voorgangers. Dat was ook wel inspirerend. Het zijn niet alleen mannen van naam. Het is ook duidelijk dat ze wat te zeggen hadden en dat veel van hun opmerkingen ook nu nog hout snijden. Maar de tijden zijn ook wel veranderd. Ik wil vooral ook vooruit kijken. Het verleden is er niet om te herhalen.

In memoriam Mohammad Farooq Khan

In 2009 organiseerde ik samen met Lucien van Liere en Aart Verburg een conferentie in Utrecht over de rol van godsdienst bij conflicten. Speciale aandacht was er voor de situatie in Pakistan. Sommige deelnemers kwam daar vandaan of hadden er gewerkt. De lezingen zijn nu gebundeld en uitgegeven bij Lit Verlag in het boek Images of Enmity and Hope: The Transformative Power of Religions in Conflicts.

Een van de auteurs is Mohammad Farooq Khan. Hij hield een lezing over de Koran als boek van en voor vredestichters. Hij zelf leefde uit die overtuiging. Het was indrukwekkend te horen hoe hij probeerde om zelfmoordterroristen die waren opgepakt voordat zij hun voorgenomen daad hadden kunnen verrichten via de Koran op andere gedachten te brengen. Zijn werk werd niet door iedereen in Pakistan gewaardeerd. Een klein jaar na de conferentie kregen we het bericht dat hij was vermoord.

Bij mijn weten zijn die moordenaars niet gepakt. Vermoedelijk zullen zij zich voor hun acties op dezelfde bron beroepen als die waaruit Farooq Khan juist inspiratie putte om het geweld te bestrijden. Bij het beroep op de Bijbel door verschillende partijen is het vaak niet anders.

En toch blijf ik met Farooq Khan geloven in de positieve kracht van onze heilige boeken. Ik schreef er mijn bijdrage over. Juist teksten vol geweld in Jozua, Rechters en Nahum geven te denken over hoe wij zelf met macht en machteloosheid omgaan. Zo hebben ze de mogelijkheid om geweld juist tegen te gaan.