Bijbelse geschiedenis herverteld

Deze maand presenteerde Cees Houtman zijn nieuwe boek over de weergave van Bijbelse verhalen in kinderbijbels, catechisatieboekjes en prentenbijbels: Bijbelse geschiedenis herverteld: Woord en Beeld – Vraag en antwoord (Uitgeverij Groen, Heerenveen). Op 17 december 2010 was er een minisymposium aan gewijd. Daar was ook Jan Greven aanwezig. Later schreef hij er ook nog een mooi stuk over in Trouw.

Houtman geeft op de van hem bekende wijze een zeer gedetailleerd en zo volledig mogelijk overzicht van het vele materiaal dat hij (samen met zijn vrouw) heeft verzameld. Na een uitputtende beschrijving van alles wat hij in handen kreeg geeft hij voorbeelden van de manier waarop Bijbelverhalen werden herverteld aan de hand van o.a. het verhaal van de geboorte van Mozes in Exodus 2:1-10. Toen ik het boek in handen kreeg ging ik direct op zoek naar hoe men zich de kleine Mozes voorstelde. Er staat namelijk in vers 2 dat zijn moeder hem mooi (Hebreews: tov) vond. Wat moet je daarbij denken? Is dat niet iets wat iedere moeder van haar kind vindt? Of zit er meer achter?

Het is intrigerend wat er in kinderbijbels allemaal van gemaakt wordt. Een kleine bloemlezing: ‘zo’n lief kereltje’, ‘heel mooi, wonderlijk mooi voor zo’n klein ding’, ‘een mooi krullekopje met lieve ogen’, ‘een allerliefste babietje met roze wangetjes en een grappig klein neusje’, ‘zijn mooie, gave lichaam, zijn prachtige voetjes, de fijne vingertjes, het welgevormde hoofdje, de heldere ogen, die zo zuiver waren als de luchten boven Egypte’ (geciteerd door Houtman op blz. 271-272). Een andere herverteller schrijft dat de moeder aan het jongetje ziet ‘dat de Heere iets bijzonders met hem voorheeft’ (p. 300).

Mijn belangstelling komt voort uit het feit dat ik mij eerder met deze vraag had bezig gehouden in verband met een artikel dat ik schreef voor de bundel die aan Cees Houtman werd aangeboden bij zijn afscheid als hoogleraar. Daarin doe ik verslag van mijn onderzoek naar het beeld dat van Mozes is geschetst in de geschiedenis van de uitleg. Het is ‘mooi’ om te zien wat schilders en filmregisseurs ervan hebben gemaakt.

Studies uit de Kamper school

Ter gelegenheid van het afscheid van Willem van der Meer hebben wij als collega’s hem een feestbundel aangeboden. Samen met Riemer Roukema en Gerard van Zanden vormde ik de redactie. Het is een mooi boek geworden dat we via de nieuwe uitgeverij van Piet van Midden (2vm) het licht konden laten zien. Het afscheid vond al in juni plaats. Dat kwam eerder dan ik gedacht had. Daarom hadden we het boek nog niet af. Willem moest het met een dummy doen. Het voordeel voor ons was dat we nu meer tijd hadden voor het redactiewerk. We hadden ook minder stress over de in dit soort projecten onvermijdelijke vertraging of liever traagheid van sommige auteurs. Het resultaat mag er zijn. Zie de inhoudsopgave.

Mijn bijdrage is een beschrijving van de geschiedenis van van de ‘Kamper school’. Die heeft in de eerste plaats te maken met de door Pieter van der Lugt en Johannes de Moor ontwikkelde methode van structuuranalyse. Daarnaast is het ook een verwijzing naar de geschiedenis van onze universiteit. Nu de locatie Kampen binnenkort verlaten wordt heeft het ook iets weemoedigs. Als troost zou kunnen gelden dat we weliswaar de fraaie Kamper gebouwen opgeven maar dat de Kamper school daarmee nog niet verdwijnt.

God is niet zomaar barmhartig

De redactie van Speling (tijdschrift voor bezinning) vroeg mij om een bijdrage voor het nummer over ‘zorgen’. Dat was nog voor de tijd dat wij van hogerhand de opdracht kregen om voortaan bij voorkeur alleen nog maar zwaar wetenschappelijke artikelen voor top (peer-reviewed) tijdschriften te schrijven. Maar waarschijnlijk had ik ook nu positief gereageerd op het verzoek, want het is mij op het lijf geschreven. Het moest gaan over de manier waarop er in de Bijbel over de zorgende (barmhartige) God wordt geschreven. Juist de combinatie van zorg en Godsbeeld intrigeert mij. Ik heb een verleden in de zorg. Bijna tien jaar werkte ik in een verpleeghuis. Beroepshalve houd ik me de laatste tijd sterk bezig met hoe God ter sprake komt in de Bijbel (zie bijvoorbeeld mijn binnenkort in de ramsj gedumpte boekje Over God). Het leek me mooi een en ander te combineren. Dat resulteerde in een artikel waarin ik aangeef dat wanneer je God betrekt in ons nadenken over de kwaliteit van zorgen, je gedwongen wordt met andere ogen te kijken naar de ander en naar je zelf. Dat komt omdat God niet zomaar barmhartig is. Soms is Hij het ook helemaal niet.

Groningen en dodencultus

Sinds op 1 april het voorgenomen besluit bekend werd gemaakt dat de PThU zal verhuizen naar Amsterdam en Groningen vraagt men mij steeds waar ik terecht zal komen. Nu had ik al de nodige banden met Amsterdam (ik zit bijvoorbeeld in de redactie van de Amsterdamse Cahiers en mijn eerste promotie was onlangs aan de VU). Voor het goede evenwicht kan ik inmiddels echter ook melden dat ik heb bijgedragen aan het Groningse historische tijdschrift Groniek. Het gaat om een artikel over de dodencultus. Dat is een onderwerp waar ik al sinds mijn dissertatie in 1986 intensief mee bezig ben. De uitnodiging om hierover te schrijven bood me de gelegenheid de voortgaande discussie weer op te pakken.

Tegen de achtergrond van de komende “transitie” (de term die de bestuurders er voor gebruiken) van de PThU is het een  onheilspellend onderwerp. Zal de PThU in Groningen ten grave worden gedragen? Welke boze geesten uit het verleden laten zich hier gelden? Of mogen we ons afvragen of er leven in Groningen zal zijn na de dood in Kampen?

Over Bijbel, Israël en kerk

Een half jaar geleden nam ik deel aan een conferentie waarin de meeste partijen in de voortgaande discussie over de relatie tussen kerk en Israël bij elkaar waren gebracht. Men had mij gevraagd om te reageren op het overzicht dat collega Leo Koffeman zou geven over het Bijbelgebruik in deze discussie. Zijn opsomming was heel ontnuchterend en relativerend. Het was ook wel te verwachten. Elke ketter heeft zijn letter. Dat geldt voor elke kemphaan in dit strijdperk. Voor mij was en is het de uitdaging om mij daardoor niet te laten ontmoedigen en te zoeken naar een goede manier om de Bijbel op een passende wijze ter sprake te brengen. Het ideaal daarbij is dat de Bijbel niet bevestigt wat men altijd al dacht, maar juist opnieuw aan het denken zet. Dat gaat wel uit van het vooroordeel dat de Bijbel gezag heeft of – zoals ik het liever noem – een bron van inspiratie is. Tegelijkertijd wil ik serieus nemen dat de Bijbel in veel opzichten veelstemmig is. Zo kom ik tot een manier van lezen die geënt is op de vorm van het Bijbelboek Job, dat evenals de problematiek rondom kerk en Israël vol dilemma’s is en ook gekenmerkt wordt door tegenspraak.

Of dit “Job model” werkt, zal moeten blijken. Het maakte in ieder geval tijdens die conferentie wel wat los. Onlangs werd ik gevraagd het op papier te zetten voor het tijdschrift Kerk en Theologie. Net in die tijd moest ik ook weer eens stukje aanleveren voor het plaatselijke kerkblad, zodat het kerkvolk van IJsselmuiden en Wilsum er ook mee geconfronteerd werd.

Exegese zonder Hebreeuws?

Op de synode en in stukjes voor Christelijk Weekblad heb ik eerder steeds het belang van de kennis van de grondtalen voor de uitleg van de Bijbel benadrukt. Voor datzelfde CW moest ik nu een stukje schrijven over het boek van Hans Snoek waarin hij een methode presenteert waarbij men de Bijbel kan uitleggen zonder kennis van Hebreeuws of Grieks. Dat was op zich niet zo moeilijk, want het is een degelijk boek dat ik zonder aarzeling aan de geïnteresseerde Bijbellezer kan aanraden.

Op de voorpagina van CW staat een verwijzing naar mijn bespreking met als kop: “Moet je de grondtalen kennen om de bijbel te begrijpen?” Dat was niet mijn tekst. Het roept de suggestie op dat men eigenlijk wel zonder die kennis kan. Hans Snoek richt zich immers op de doelgroep van de h.b.o.-ers. Hij wil hen stimuleren om de Bijbel zo goed mogelijk te bestuderen. Hij zet zich echter gelukkig niet af tegen de academische benadering. En zo eindig ik mijn stukje ook: deskundige begeleiding blijft noodzakelijk. Het mag echter niet zo zijn – en daar heeft Hans Snoek groot gelijk in – dat de deskundigen de gewone lezer de lust tot lezen benemen. De kunst is om een goede wisselwerking te vinden, waarbij juist ook de vragen van de gewone lezer serieus genomen worden. Zo kan men ook samen onderzoeken hoe het toch komt dat die Bijbel steeds maar mensen blijft aanspreken.

De stilte van God

Onlangs werd van mij een artikel gepubliceerd op papier en op internet van het tijdschrift Schrift. Het thema van het nummer is “weerbarstige stilte” en mij was gevraagd een stukje te schrijven over God die zich (volgens 1 Kon. 19:12) openbaart aan Elia in “het suizen van een zachte koelte” (NBG 1951) of “het gefluister van een zachte bries” (NBV) of “een stem, tot stilte beukend” (Kees Waaijiman). Ik vond er iets in van een heilzaam tegenwicht van de grote woorden die eerder in het verhaal klonken over God en de daarop volgende gruwelijke daden in naam van God.

Er lag een envelop met een aantal exemplaren van het tijdschrift in mijn postvak en nam het mee naar de vergadering van de onderzoeksgroep van de universiteit. Daar moest ik mijn collega’s confronteren met de resultaten van een tussentijdse onderzoeksvisitatie. Die vielen niet mee: we moeten meer publiceren in de grote “peer-reviewed” tijdschriften om aan de academische wereld te laten zien dat wij meetellen. Het schrijven voor een breder publiek moeten we beperken. Ik liet de envelop maar dicht.

Ik zoek naar een evenwicht. Ik wil ook meedoen aan het wetenschappelijke debat en ik denk dat ik daarbij ook wel wat heb te melden. Maar dan moet het inhoudelijk de moeite waard zijn en niet alleen bedoeld om mijzelf en mijn universiteit weer eens te presenteren. Aan de andere kant is mij het contact met de “gewone” Bijbellezer lief en is het mooi werk om op dat vlak iets door te geven van het goede dat in de Bijbel is te vinden. Vaak laat het een zich ook wel met het ander verbinden: wetenschappelijk onderzoek kan je helpen om bij het meer populaire werk niet te vervlakken. Zoiets moet aan een visitatiecommissie toch ook duidelijk te maken zijn.

Vertalen en vertolken

Op 26 maart 2010 werd zowel in Woord & Dienst als in Christelijk Weekblad een bijdrage van mijn hand gepubliceerd. Ze hebben ook met elkaar te maken. In Woord & Dienst gaat mijn artikel over de discussie over de NBV, in Christelijk Weekblad vervolg ik mijn betoog over de juiste omgang met heilige teksten zoals de Bijbel. In beide gevallen doe ik een poging tot een verheldering van de vaak verwarde en verwarrende discussie. Dat is niet eenvoudig, want men reageert in deze nogal eens emotioneel en fel. Nuchterheid ziet men dan soms als gebrek aan respect voor de heilige tekst en begrip voor afwijkende opvattingen als verraad aan het heilige gelijk. Maar het is de moeite wel waard.

Tijdens de synodevergadering heb ik de discussie over de NBV ingeleid met een betoog dat in grote lijnen overeenkomt met mijn bijdrage in W&D. Het is opgenomen door de IKON. Zie deze link (mijn bijdrage begin na 11:50).

Verzuchtingen van een recensent

Als ik me weer eens heb laten verleiden tot het schrijven van een recensie voel ik soms de neiging opkomen om met Prediker de verzuchting te slaken dat er maar geen einde komt aan het maken van veel boeken. Via via was ik gevraagd om voor de Review of Biblical Literature het commentaar van Duane Christensen op Nahum te bespreken. Ik wist dat het er aan kwam, want we hadden er al vrij intensief email contact over gehad. Ik wist ook dat Christensen grote waardering had voor mijn commentaar uit 1997. Het streelde me natuurlijk ook toen ik met eigen ogen kon constateren dat ik zeer veel geciteerd wordt. Net als ik heeft Christensen hoge waardering voor het literaire gehalte van het boek. Ik kan hem echter niet volgen in zijn wel erg ver doorgevoerde logotechnische benadering. Ik vind dat je die serieus moet nemen. Cas Labuschagne schrijft er goede dingen over en komt soms met hele mooie resultaten, zoals te zien is op zijn website. Maar Christensen slaat mijns inziens door. Bij alle waardering voor zijn degelijke commentaar (ruim 450 bladzijden over drie hoofdstukken Hebreeuwse tekst) kan ik dat niet onvermeld laten. Dat maakte het schrijven van deze recensie erg lastig.

De Bijbel spreekt niet vanzelf

Voor PThUnie (Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit) van januari schreef ik een stukje over de aard van het onderzoek dat wij als Bijbelwetenschappers en kerkhistorici verrichten. Daarbij was het niet de bedoeling om gewichtig te doen over het hoge wetenschappelijke gehalte van ons werk. Dat kunnen we bewaren voor onderzoeksvisitaties. Het ging er nu meer om de relevantie van ons academisch gezwoeg aan te tonen. Daartoe legde ik een verband met de huidige discussies over heilige boeken en vooral ook de onzin die daarbij maar al te vaak wordt uitgekraamd. Dit stukje kwam Theo Klein, eindredacteur van Christelijk Weekblad onder ogen. Hij vroeg mij iets dergelijks ook voor dit “nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland” te schrijven. Het resultaat daarvan werd gepubliceerd in het nummer van 26 februari 2010. Zowel in PThUnie als in Christelijk Weekblad had men er een plaatje bij gezocht. In PThUnie gebeurt dat ingetogen, maar in CW wordt mijn bijdrage door de koppeling aan een verwijzing naar de film “Fitna” gebracht als een ferm statement in een maatschappelijke discussie. Op de voorpagina staat het aangekondigd met de kop “Wanneer stopt dat lukraak gepluk uit heilige teksten?” Dat sluit inderdaad aan bij de inhoud van mijn bijdrage, maar ik schrik er ook een beetje van. Het is alsof je van achter je bureau vandaan de zeepkist op wordt geduwd.