Studiebijbels

Onlangs schreef ik voor de tweede keer een recensie over een Nederlandse studiebijbel op basis van de NBV. Ruim een jaar geleden had ik al iets aardigs geschreven over de NBV Studiebijbel, nu ging het over de Studiebijbel in Perspectief. Dat blijkt – anders dan ik verwacht had – een heel bruikbaar hulpmiddel te zijn dat vooral ook sympathiek overkomt. Omdat uit de aankondiging bleek dat deze studiebijbel gericht was op conservatief protestants Nederland, had ik me voorbereid op het zoveelste achterhoedegevecht van een orthodoxie die maar niet kan of wil begrijpen dat je de Bijbel geen recht doet door hem op te vatten als een bundeling van tijdloze waarheden. Dat valt echter reuze mee. Er wordt ruimte gegeven aan een goede weergave van de belangrijkste argumenten. Het werd dus een positief stukje. Vaak gaat het in recensies – bij mij in ieder geval – anders, maar dit is wel zo leuk.

Nieuwe kijk op de Koran

Over het algemeen word ik niet vrolijk van de Koran en nog minder van zijn lezers. Het boek blijft me vreemd en ik stoor me aan de vaak ongefundeerde kritiek van moslims op de Bijbel waaruit blijkt dat ze het moderne Bijbelonderzoek en discussies over de hermeneutiek niet serieus nemen. De ontmoeting met de Pakistaanse geleerde Muhammad Farooq Khan heeft me een nieuwe kijk op de Koran gegeven. Ik ontmoette hem bij symposia in Kampen en Utrecht (en de maaltijden tussendoor) in de eerste week van oktober dit jaar (2009). Hij presenteerde daar zijn gematigde (‘moderate’; de term ‘liberal’ vermijdt hij) visie op de Koran. Hij legt daarbij de nadruk op die delen van de Koran die spreken met respect over joden en christenen en die het belang van de menselijkheid benadrukken. Het meest opvallende daarbij is dat hij zijn criteria ontleent aan inzicht dat niet direct uit de Koran ontleend wordt: redelijkheid, gezond verstand en menselijkheid (zoals verwoord in de universele verklaring van de recht van de mens). In feite komt zijn benadering overeen met hoe wij doorgaans de Bijbel willen lezen en toepassen. Het aardige en bemoedigende is vooral ook dat dr. Khan niet de eerste de beste is. Hij heeft status en invloed in Pakistan. Ik vind dat heel bemoedigend. Het heeft in ieder geval mijn kijk op de Koran en zijn lezers veranderd. Ik schreef er een stukje over in het Christelijk Weekblad.

Karel van der Toorn

Voor Christelijk Weekblad schreef ik een recensie van het boek van Karel van der Toorn, Wie schreef de Bijbel? (Een week later is het ook gepubliceerd in het Friesch Dagblad. )Dat deed ik op verzoek van de hoofdredacteur. Die was zich er niet van bewust dat ik al bijna mijn hele wetenschappelijke leven met Van der Toorn te maken heb. Er zijn de nodige raakvlakken tussen ons. We zijn generatiegenoten; hij is van 1956, ik van 1957). We zijn beiden van Gereformeerden huize. Hij komt uit de Vrijgemaakte, ik uit de Synodale hoek. We wilden vroeger allebei zendeling worden. In plaats daarvan zijn we in de wetenschap terecht gekomen. We zijn beide gepromoveerd op een vergelijking van de godsdienst van Israël en de godsdiensten in de omringende culturen. Inmiddels had Karel toch al meer carrière gemaakt. Hij had gestudeerd in Parijs en bracht het al snel tot hoogleraar. Ik verdween in de pastorie, maar onze wegen bleven zich kruisen. Karel schreef een zeer uitgebreide en zeer kritische bespreking van mijn dissertatie (in Bibliotheca Orientalis 48 [1991], 40-66), maar dat weerhield hem er niet van om mij toe te laten tot de schrijvers van het mede door hem geredigeerde naslagwerk Dictionary of Deities and Demons (1995). Zijn kritiek betrof vooral mijn visie op de aard van de dodencultus in de cultuur van het oude Nabije Oosten. Die discussie is nog niet afgesloten en er zijn nieuwe vondsten die mijn visie lijken te bevestigen. Daarover verschijnt binnenkort een nieuw artikel van mijn hand. Of Karel daar weer op zal reageren, is twijfelachtig. Hij heeft het inmiddels geschopt tot voorzitter van de Universiteit van Amsterdam en heeft dus wel andere dingen aan zijn hoofd.

Intussen maak ik mij nu dus druk over zijn boek over de schrijverscultuur in het oude Nabije Oosten. Over de oorspronkelijke versie schreef ik ook al een recensie. Die is nu ook gepubliceerd in het tijdschrift Communio Viatorum. Ik ben er zowel enthousiast als zeer kritisch over. Dat heeft met het onderwerp maar misschien ook wel met onze geschiedenis te maken. Enige terughoudendheid is daarom wel gepast.

Bible and Global Warming

Dit voorjaar hield ik in Kupang (Timor) een college over Bijbel en milieu. Dat deed ik op verzoek van de decaan. In juni heb ik het materiaal weer kunnen gebruiken bij een conferentie in Stellenbosch (zie mijn ‘paper‘). Daar bleek het namelijk een thema te zijn dat ook door een aantal collega’s aan de orde werd gesteld; maar dan wel zo dat ik het idee had er nog iets aan toe te kunnen voegen. Tussen die twee gelegenheden door kreeg ik het verzoek om bij te dragen aan een feestbundel, zo mogelijk over het onderwerp Bijbel en milieu. Zo’n feestbundel behoort een verrassing te zijn, dus ik zal hier niet melden wie het betreft. De naam van deze persoon werd overigens in Stellenbosch wel herhaaldelijk in verband met dit thema gebracht. Zo zit er dus voor mij een duidelijke samenhang in de dingen. Soms word je zo gewoon een bepaalde richting in gedreven, die overigens hoe langer ik er mee bezig ben steeds boeiender wordt.

update: inmiddels is mijn artikel gepubliceerd. Het ging om een bijdrage aan de feestbundel voor James Loader.

Bijbelse theologie en Amsterdam

Afgelopen zaterdag was ik uitgenodigd om bij een bezoek van een delegatie van de Duitse kerk (EKD) aan de PKN iets te vertellen over de manier waarop momenteel aan Nederlandse theologische faculteiten Bijbelse theologie wordt gedoceerd. In het verslag van dat bezoek op de website van de PKN wordt voornamelijk aandacht geschonken aan de rede door bisschop Huber. Helaas was hij nog niet aanwezig toen ik mijn bijdrage leverde. En ik was zelf ook al weer met andere dingen bezig toen hij op maandag het gesprek inleidde. Hij legde daarbij de nadruk op de rol die de kerken zouden moeten spelen om wereldwijd aandacht te vragen voor mensenrechten. Dat sloot, zo stel ik nu achteraf vast, goed aan bij wat ik zaterdagmiddag te berde bracht. Ik vertelde toen over de aantrekkingskracht indertijd op studenten, waaronder veel Duitse, van de manier waarop in Amsterdam door Frans Breukelman c.s. Bijbelse theologie werd gedoceerd. De kracht van die benadering lag mijns inziens in de geslaagde verbinding tussen een goede lezing van de Bijbel, een heldere dogmatiek en een enthousiaste betrokkenheid bij de actualiteit. Het is goed om dat te blijven zoeken. Ik zie zelf die verbinding tegenwoordig vooral in de interculturele lezing van de Bijbel en dat heeft raakvlakken met de door bisschip Huber aangekaarte thematiek.

Jozua

Deze maand verscheen eindelijk deel 24 van de Amsterdamse Cahiers. Dat had eigenlijk nog in 2008 moeten gebeuren. Maar redactiewerk kost nu eenmaal veel tijd en bij uitgaven als deze moet dat allemaal naast het andere (wèl betaalde) werk gebeuren. Het is ook verstandig om jezelf niet al te veel op te (laten) jagen. Zeker bij een uitgave van de Amsterdamse Cahiers geldt dat het ook iets van liefhebberij heeft. Voor de wetenschappelijke status hoef je het niet te doen. Je hoopt wel dat er iets in doorklinkt van het werken met plezier aan de uitleg van de Bijbel.

Aan dit nummer heb ik weer eens een overzicht van het onderzoek bijgedragen. Het is niet de eerste keer dat ik dit doe. Het is ook niet de eerste keer dat dit uit nood geboren is. Het is vaak niet makkelijk om iemand te vinden die deze arbeidsintensieve klus op zich neemt. Ik vind het ook wel mooi werk om te doen: enig houvast bieden in de niet aflatende stroom van publicaties door te verzamelen, te schiften en te ordenen. Let ook op het passende slot.

Mijn tweede bijdrage is een artikel dat meer over Rechters dan over Jozua gaat. Dat (de uitleg van het boek Rechters) is immers het onderwerp waar ik me de komende tijd op wil concentreren. Bij al dat geschrijf op verzoek moet je goed opletten dat je de eigen onderzoeksdoelen niet uit het oog verliest. Nu liet een en ander zich deze keer goed combineren, omdat het begin van Rechters het slot van Jozua bijna woordelijk herhaalt.

De humor van de Bijbel

Onlangs verscheen een artikel van mij in het tijdschrift Interpretatie over humor in de Bijbel. Dat is een bewerking van een uitgebreider stuk dat ik eerder voor Kabats, het blad van de theologische faculteit van de VU, schreef. Het is een boeiend onderwerp. Maar het is ook riskant om erover te schrijven. Humor is immers subjectief. Zo’n studie zegt waarschijnlijk ook heel veel over de schrijver zelf.

De Bijbel als antidepressivum

Onlangs wijdde het tijdschrift Interpretatie een nummer aan het thema ‘Geestelijke gezondheid’. Het inleidende artikel door Sytze Ypma heeft als pakkende titel ‘De bijbel als antidepressivum’. Hij had eerder al een boek geschreven over dit onderwerp: Geloven als antidepressivum (Zoetermeer 2008). Begin januari stond er ook een artikel over in dagblad Trouw.  Daarmee treedt hij in het voetspoor van Eugen Drewermann. Ook hij verbindt exegese en psychotherapie. Voor het genoemde nummer van Interpretatie schreef ik een kritisch stukje over de persoon (zijn ‘drive’) en het werk van Drewermann. Het is duidelijk dat hij een punt heeft, maar ik ervaar het ook als storend dat hij steeds weer dat ene punt wil maken. Daarmee doet hij mijns inziens te kort aan de Bijbel.

Overigens heb ik me zelf in het verleden ook wel gewaagd als psychologiserende uitleg, niet alleen vanaf de kansel (zoals dat zo vaak gebeurt) maar ook in geschrifte, namelijk over de gemoedstoestand van koning Hizkia volgens Jesaja 38.

Opnieuw Nahum

Wanneer je wordt uitgenodigd om een lezing te houden bij een congres, dan vraagt men vaak om iets te zeggen over een onderwerp waar je al lang niet meer mee bezig bent. Momenteel werk ik hard aan een commentaar op het boek Rechters, maar men kent mij vooral van mijn commentaar dat ik nu alweer meer dan tien jaar geleden over Nahum schreef. Vanwege die bestudering van Nahum heb ik mij in die tijd ook intensief bezig gehouden met andere kleine profeten, vooral met het verwante boek Jona. Dat leverde mij de vraag op om mee te doen aan een serie lezingen over Jona tijdens een congres in Lissabon in de zomer van 2008. Die serie is nu gepubliceerd in het online tijdschrift The Journal of Hebrew Scriptures. Mijn bijdrage is een reactie op de lezing van Jacob Wöhrle waarin hij op klassiek Duitse wijze de tekst van Jona en andere profeten uiteenrafelt en verdeelt over verschillende redacties. Ik stel daartegen voor om vast te houden aan de eenheid van de boeken Jona en Nahum en kom met een simpeler verklaring voor de overeenkomsten tussen deze en andere boeken.

Wat ik mij van die bijeenkomst in Lissabon vooral herinner was de aanblik van de vliegtuigen die tamelijk laag over vlogen op weg naar het nabij gelegen vliegveld. Verder was ik verbijsterd door de hardheid waarmee enkele Duitse collega’s elkaar de pan uitveegden. Achteraf begreep ik dat dit te maken had met elkaar bestrijdende scholen. De manier waarop ik op Wöhrle reageerde was hiermee vergeleken een toonbeeld van nuance en zachtmoedigheid.

50 en het leedvermaak daarbij

In de zomer van 2007 hield ik op een gezamenlijke bijeenkomst van de Zuid-Afrikaanse en Nederlands/Belgische werkgezelschappen voor de studie van het Oude Testament een lezing over leedvermaak. Het thema van de bijeenkomst was “Exile and Suffering”. Het leek me aardig om de dingen eens van een andere, onverwachte kant te bekijken. Daarbij werd ik in de eerste plaats geïnspireerd door de bijtende spot waarmee in Jesaja 14 de val van de koning van Babel wordt beschreven. Het artikel is nu gepubliceerd in het vijftigste deel van Oudtestamentische studiën.

Ik zal me die bijeenkomst vooral herinneren vanwege het feit dat ik daar 50 jaar werd. Het speet me niet dat ik door deze gewichtige activiteit de festiviteiten rondom dit feest mis zou lopen. De geforceerde gezelligheid en drukte van verjaardagsfeesten is niet aan bij besteed. Het was de organisatoren van de bijeenkomst in Pretoria echter niet ontgaan dat ik precies even oud was als het werkgezelschap in Zuid-Afrika. En tijdens het diner ter gelegenheid van het jubileum van de OTSWA kreeg ik dus een toespraak (van mijn vriendelijke collega Jurie le Roux), cadeautje en werd ik zelfs toegezongen. Ik beschouwde dit niet als leedvermaak.