Vertalen en vertolken

Op 26 maart 2010 werd zowel in Woord & Dienst als in Christelijk Weekblad een bijdrage van mijn hand gepubliceerd. Ze hebben ook met elkaar te maken. In Woord & Dienst gaat mijn artikel over de discussie over de NBV, in Christelijk Weekblad vervolg ik mijn betoog over de juiste omgang met heilige teksten zoals de Bijbel. In beide gevallen doe ik een poging tot een verheldering van de vaak verwarde en verwarrende discussie. Dat is niet eenvoudig, want men reageert in deze nogal eens emotioneel en fel. Nuchterheid ziet men dan soms als gebrek aan respect voor de heilige tekst en begrip voor afwijkende opvattingen als verraad aan het heilige gelijk. Maar het is de moeite wel waard.

Tijdens de synodevergadering heb ik de discussie over de NBV ingeleid met een betoog dat in grote lijnen overeenkomt met mijn bijdrage in W&D. Het is opgenomen door de IKON. Zie deze link (mijn bijdrage begin na 11:50).

Verzuchtingen van een recensent

Als ik me weer eens heb laten verleiden tot het schrijven van een recensie voel ik soms de neiging opkomen om met Prediker de verzuchting te slaken dat er maar geen einde komt aan het maken van veel boeken. Via via was ik gevraagd om voor de Review of Biblical Literature het commentaar van Duane Christensen op Nahum te bespreken. Ik wist dat het er aan kwam, want we hadden er al vrij intensief email contact over gehad. Ik wist ook dat Christensen grote waardering had voor mijn commentaar uit 1997. Het streelde me natuurlijk ook toen ik met eigen ogen kon constateren dat ik zeer veel geciteerd wordt. Net als ik heeft Christensen hoge waardering voor het literaire gehalte van het boek. Ik kan hem echter niet volgen in zijn wel erg ver doorgevoerde logotechnische benadering. Ik vind dat je die serieus moet nemen. Cas Labuschagne schrijft er goede dingen over en komt soms met hele mooie resultaten, zoals te zien is op zijn website. Maar Christensen slaat mijns inziens door. Bij alle waardering voor zijn degelijke commentaar (ruim 450 bladzijden over drie hoofdstukken Hebreeuwse tekst) kan ik dat niet onvermeld laten. Dat maakte het schrijven van deze recensie erg lastig.

De Bijbel spreekt niet vanzelf

Voor PThUnie (Magazine van de Protestantse Theologische Universiteit) van januari schreef ik een stukje over de aard van het onderzoek dat wij als Bijbelwetenschappers en kerkhistorici verrichten. Daarbij was het niet de bedoeling om gewichtig te doen over het hoge wetenschappelijke gehalte van ons werk. Dat kunnen we bewaren voor onderzoeksvisitaties. Het ging er nu meer om de relevantie van ons academisch gezwoeg aan te tonen. Daartoe legde ik een verband met de huidige discussies over heilige boeken en vooral ook de onzin die daarbij maar al te vaak wordt uitgekraamd. Dit stukje kwam Theo Klein, eindredacteur van Christelijk Weekblad onder ogen. Hij vroeg mij iets dergelijks ook voor dit “nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland” te schrijven. Het resultaat daarvan werd gepubliceerd in het nummer van 26 februari 2010. Zowel in PThUnie als in Christelijk Weekblad had men er een plaatje bij gezocht. In PThUnie gebeurt dat ingetogen, maar in CW wordt mijn bijdrage door de koppeling aan een verwijzing naar de film “Fitna” gebracht als een ferm statement in een maatschappelijke discussie. Op de voorpagina staat het aangekondigd met de kop “Wanneer stopt dat lukraak gepluk uit heilige teksten?” Dat sluit inderdaad aan bij de inhoud van mijn bijdrage, maar ik schrik er ook een beetje van. Het is alsof je van achter je bureau vandaan de zeepkist op wordt geduwd.

Studiebijbels

Onlangs schreef ik voor de tweede keer een recensie over een Nederlandse studiebijbel op basis van de NBV. Ruim een jaar geleden had ik al iets aardigs geschreven over de NBV Studiebijbel, nu ging het over de Studiebijbel in Perspectief. Dat blijkt – anders dan ik verwacht had – een heel bruikbaar hulpmiddel te zijn dat vooral ook sympathiek overkomt. Omdat uit de aankondiging bleek dat deze studiebijbel gericht was op conservatief protestants Nederland, had ik me voorbereid op het zoveelste achterhoedegevecht van een orthodoxie die maar niet kan of wil begrijpen dat je de Bijbel geen recht doet door hem op te vatten als een bundeling van tijdloze waarheden. Dat valt echter reuze mee. Er wordt ruimte gegeven aan een goede weergave van de belangrijkste argumenten. Het werd dus een positief stukje. Vaak gaat het in recensies – bij mij in ieder geval – anders, maar dit is wel zo leuk.

Mijn eigen kerkgeschiedenis

Dit najaar werd een boek over de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in IJsselmuiden gepubliceerd. Het is van de hand van mijn oud-docent Kerkgeschiedenis Hommo Reenders. Ik schreef er stukje over in het plaatselijke kerkblad. Het herinnert mij aan het boekje dat ik twintig jaar geleden schreef bij het eeuwfeest van de Gereformeerde kerk in Monnickendam (zie hier het eerste deel, en voor de liefhebbers: deel 2 en deel 3). Al lezend in het boek van Reenders kwam in mij af en toe hetzelfde gevoel boven als bij mijn eigen werk aan het jubileumboekje. Ons verleden is niet altijd iets om trots op te zijn. Ik vroeg me af wat ik in 1889 gedaan had in Monnickendam. Bij de bestudering van de gegevens voelde ik meer sympathie voor de mensen die binnen de kerk bleven dan voor de scheurmakers. Van het lezen over alle strijd, kleinzieligheid en heilige verontwaardiging in IJsselmuiden werd ik niet vrolijk. Laat ik het allemaal maar positief opvatten: het is een wonder dat die kerk nog leeft. Blijkbaar zit er meer achter dan mensen ervan maken.

Nieuwe kijk op de Koran

Over het algemeen word ik niet vrolijk van de Koran en nog minder van zijn lezers. Het boek blijft me vreemd en ik stoor me aan de vaak ongefundeerde kritiek van moslims op de Bijbel waaruit blijkt dat ze het moderne Bijbelonderzoek en discussies over de hermeneutiek niet serieus nemen. De ontmoeting met de Pakistaanse geleerde Muhammad Farooq Khan heeft me een nieuwe kijk op de Koran gegeven. Ik ontmoette hem bij symposia in Kampen en Utrecht (en de maaltijden tussendoor) in de eerste week van oktober dit jaar (2009). Hij presenteerde daar zijn gematigde (‘moderate’; de term ‘liberal’ vermijdt hij) visie op de Koran. Hij legt daarbij de nadruk op die delen van de Koran die spreken met respect over joden en christenen en die het belang van de menselijkheid benadrukken. Het meest opvallende daarbij is dat hij zijn criteria ontleent aan inzicht dat niet direct uit de Koran ontleend wordt: redelijkheid, gezond verstand en menselijkheid (zoals verwoord in de universele verklaring van de recht van de mens). In feite komt zijn benadering overeen met hoe wij doorgaans de Bijbel willen lezen en toepassen. Het aardige en bemoedigende is vooral ook dat dr. Khan niet de eerste de beste is. Hij heeft status en invloed in Pakistan. Ik vind dat heel bemoedigend. Het heeft in ieder geval mijn kijk op de Koran en zijn lezers veranderd. Ik schreef er een stukje over in het Christelijk Weekblad.

Karel van der Toorn

Voor Christelijk Weekblad schreef ik een recensie van het boek van Karel van der Toorn, Wie schreef de Bijbel? (Een week later is het ook gepubliceerd in het Friesch Dagblad. )Dat deed ik op verzoek van de hoofdredacteur. Die was zich er niet van bewust dat ik al bijna mijn hele wetenschappelijke leven met Van der Toorn te maken heb. Er zijn de nodige raakvlakken tussen ons. We zijn generatiegenoten; hij is van 1956, ik van 1957). We zijn beiden van Gereformeerden huize. Hij komt uit de Vrijgemaakte, ik uit de Synodale hoek. We wilden vroeger allebei zendeling worden. In plaats daarvan zijn we in de wetenschap terecht gekomen. We zijn beide gepromoveerd op een vergelijking van de godsdienst van Israël en de godsdiensten in de omringende culturen. Inmiddels had Karel toch al meer carrière gemaakt. Hij had gestudeerd in Parijs en bracht het al snel tot hoogleraar. Ik verdween in de pastorie, maar onze wegen bleven zich kruisen. Karel schreef een zeer uitgebreide en zeer kritische bespreking van mijn dissertatie (in Bibliotheca Orientalis 48 [1991], 40-66), maar dat weerhield hem er niet van om mij toe te laten tot de schrijvers van het mede door hem geredigeerde naslagwerk Dictionary of Deities and Demons (1995). Zijn kritiek betrof vooral mijn visie op de aard van de dodencultus in de cultuur van het oude Nabije Oosten. Die discussie is nog niet afgesloten en er zijn nieuwe vondsten die mijn visie lijken te bevestigen. Daarover verschijnt binnenkort een nieuw artikel van mijn hand. Of Karel daar weer op zal reageren, is twijfelachtig. Hij heeft het inmiddels geschopt tot voorzitter van de Universiteit van Amsterdam en heeft dus wel andere dingen aan zijn hoofd.

Intussen maak ik mij nu dus druk over zijn boek over de schrijverscultuur in het oude Nabije Oosten. Over de oorspronkelijke versie schreef ik ook al een recensie. Die is nu ook gepubliceerd in het tijdschrift Communio Viatorum. Ik ben er zowel enthousiast als zeer kritisch over. Dat heeft met het onderwerp maar misschien ook wel met onze geschiedenis te maken. Enige terughoudendheid is daarom wel gepast.

Altijd vakantie

Nu het werk op allerlei terreinen weer de aandacht vraagt, doe ik mijn best om het gevoel van ruimte en vrijheid uit de zomertijd niet te verliezen. Ik schreef daarover een stukje voor het kerkblad van IJsselmuiden. Het is een poging om mij toe te eigenen wat ik vaak op één of ander manier lees of te horen krijg: “je moet niet zoveel moeten”. Dus zo bijzonder is wat ik schrijf niet. Ik werd wel verrast toen ik de dag nadat ik de kopij had ingeleverd in de serie “de Tien Geboden” in dagblad Trouw las dat Tatjana Simic “mijn” inzicht deelt (zie het slot van het interview).

Bible and Global Warming

Dit voorjaar hield ik in Kupang (Timor) een college over Bijbel en milieu. Dat deed ik op verzoek van de decaan. In juni heb ik het materiaal weer kunnen gebruiken bij een conferentie in Stellenbosch (zie mijn ‘paper‘). Daar bleek het namelijk een thema te zijn dat ook door een aantal collega’s aan de orde werd gesteld; maar dan wel zo dat ik het idee had er nog iets aan toe te kunnen voegen. Tussen die twee gelegenheden door kreeg ik het verzoek om bij te dragen aan een feestbundel, zo mogelijk over het onderwerp Bijbel en milieu. Zo’n feestbundel behoort een verrassing te zijn, dus ik zal hier niet melden wie het betreft. De naam van deze persoon werd overigens in Stellenbosch wel herhaaldelijk in verband met dit thema gebracht. Zo zit er dus voor mij een duidelijke samenhang in de dingen. Soms word je zo gewoon een bepaalde richting in gedreven, die overigens hoe langer ik er mee bezig ben steeds boeiender wordt.

update: inmiddels is mijn artikel gepubliceerd. Het ging om een bijdrage aan de feestbundel voor James Loader.

Menselijke waardigheid

Eind juni nam ik deel aan een conferentie in Stellenbosch. Samen met collega’s van de PThU en van de universiteit van Stellenbosch bekeken we vanuit verschillen disciplines het thema “Human Dignity”. Aan mij was de taak toebedeeld om daarover iets te zeggen vanuit het perspectief van de Bijbelse theologie en daarbij in te gaan op de vraag of het beeld van een gewelddadige God afbreuk doet aan de menselijke waardigheid. Ik heb betoogd dat het tegendeel het geval is. God voelt zich volgens de betreffende teksten juist gedwongen dan in te grijpen wanneer de menselijke waardigheid op het spel staat. Hoe dat (Hij) werkt hangt sterk af van de specifieke situatie. Wat dat betreft is het heel Bijbels om God niet vast te leggen op één bepaalde eigenschap. Hij is in beweging en het zou goed zijn als ook ons denken over God in beweging zou blijven. We hebben de profetische gave van de Geest nodig om dat in te zien en toe te passen. Ik moet dat allemaal nog een keer netjes op papier zetten. Tijdens de conferentie moest ik ook nog een stukje aanleveren voor het kerkblad van IJsselmuiden. Daarin heb ik het alvast in grote lijnen samengevat.