Eindelijk: mijn boek over Rechters!

Vandaag kreeg ik voor het eerst mijn boek over Rechters in handen: het commentaar in de serie Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel. Twintig jaar geleden vroeg Johannes de Moor mij of ik het aan hem toevertrouwde deel over dit boek in de serie Historical Commentary on the Old Testament (voorheen: Commentaar op het Oude Testament) van hem wilde overnemen. Ik kan me dat moment nog herinneren: we stonden in zijn kamer aan de Oudestraat in Kampen (met aan de overzijde het pand waar vroeger uitgeverij Kok zat). Mijn commentaar op Nahum was net af en ik had ook wel weer zin in een nieuwe uitdaging. Dus ik aanvaardde de uitnodiging dankbaar. Twee decennia verder ben ik er nog steeds mee bezig. Als het meezit zal het volgend jaar af komen. Intussen ligt er nu dus wel al een versie in het Nederlands (bij Kok, nu in Utrecht). Die is gericht op een breder publiek dat niet vermoeid mag worden met de nimmer eindigende wetenschappelijke debatten over de tittels en jota’s van de grondtekst en de historische achtergronden. Ik hoop de geïnteresseerde lezer wel mee te nemen in mijn enthousiasme over de literair en theologisch bijzonder intrigerende verhalen over vrouwen en mannen, over hun leiderschap en hun merkwaardige gebedsleven (in één van mijn artikelen over Rechters betitel ik het als ‘an uncommon book of prayer’).

Dat iemand meer dan twintig jaar met een Bijbelcommentaar bezig kan zijn, hoeft niet te verbazen. Er zijn ook nog andere dingen in het leven die aandacht vragen en verdienen. Het kan ook nog langer. De Moor vertelde me dat hij naast al zijn andere werk inmiddels zestig jaar bezig is met zijn commentaar op Micha. Het wordt er ook niet makkelijker op. Dat komt mede door de steeds groter wordende stroom aan publicaties. Een buitenstaander zou kunnen denken dat het juist daardoor makkelijker werd, omdat al die studies bijdragen aan een beter begrip van de oude teksten. Dat is echter maar ten dele het geval. Vaak ontbreekt het aan consensus. Door de digitalisering kan men wel steeds makkelijker toegang krijgen tot steeds meer publicaties, maar ook hier geldt dat dit tevens een nadeel is: de hoeveelheid secundaire literatuur is haast niet bij te houden. Zoiets kan ook demotiverend werken: wat heb ik nog toe te voegen?

Mijn bijdrage aan de bestudering van het boek Rechters is dat ik een nieuwe poging onderneem om het boek te lezen als een samenhangend geheel met een duidelijke boodschap. Mijns inziens gaat het om oude verhalen die in de Hellenistische tijd (waarschijnlijk in de derde eeuw v. Chr.) in een nieuw jasje zijn gestoken om te dienen als opmaat voor de verhalen over Samuël en de koningen na hem. Ze zetten de lezer toen en ook nu aan het denken over de vraag wie er geschikt is om leiding te geven. Die vraag wordt in het eerste vers aan God zelf gesteld. Gaandeweg wordt duidelijk dat alleen die leider deugt die dat ook voor zichzelf aan God blijft vragen. Tussendoor gaat het steeds om de relatie tussen man en vrouw. Ook dat is spannend en relevant, toen en nu.

De oude Jakob

Mensen van mijn leeftijd denken bij dit opschrift aan het liedje van Annie M.G. Schmid uit “Ja zuster nee zuster”. Het kwam in mij op toen ik werkte aan een bijdrage voor de feestbundel voor Karel Deurloo (een speciaal nummer van het tijdschrift Communio Viatorum). Daarin zijn lezingen gebundeld van het Colloquium Biblicum in Praag in 2016 waarin teksten over de aartsvader Jakob centraal stonden. Het was me al eerder opgevallen dat het interessant is om de oude dag van de verschillende aartsvaders met elkaar te vergelijken. Zeker als je het afzet tegen de manier waarop de oude dag van zijn vader Isaak – vooral ook door toedoen van Jakob zelf – is verziekt, heeft Jakob een mooi levenseinde. Dat kan niet gezegd worden van de oude Jakob zoals hij in de smartlap onder de bezielende leiding van opa Leen Jongewaard door een mannentrio wordt bezongen. Tot mijn vreugd is er op internet nog een opname bewaard. Het brengt je weer terug in de goede oude tijd.

Alleen de Schrift?

Sinds kort mag ik mij de hoofdredacteur van het tijdschrift Schrift noemen. Eerder al schreef ik er af en toe artikelen voor. Met een gedeeltelijk nieuwe redactie, met goede ondersteuning van de uitgever (te zien aan de nieuwe lay-out) beginnen we met een nummer getiteld “Alleen de Schrift?”. Maarten Luther kijkt daarbij de lezer vanaf de omslag minzaam toe. Het moge duidelijk zijn dat ook wij aansluiten bij de herdenking van de Reformatie. Juist bij de genoemde wisseling van de wacht in de redactie zou men daar nog meer achter kunnen zoeken. Het tijdschrift is van oorsprong een rooms-katholiek periodiek. In 1969 verscheen het eerste nummer van Schrift als voortzetting van drie tijdschriften: Het Heilig Land, De Jeruzalemvaarder en Het Boek der Boeken. Die kwamen uit de kring van de Paters Montfortanen en de Heilig-Land-Stichting. De eerste hoofdredacteur Bas van Iersel, hoogleraar Nieuwe Testament in Nijmegen, had zijn opleiding ook genoten aan het seminarie der Montfortanen. Ook zijn opvolgster, Ellen van Wolde, is thuis in Nijmegen. Inmiddels werd de uitgave al wel verzorgd door Kok, de degelijk gereformeerde uitgever uit Kampen. En nu is de hoofdredacteur dus ook al iemand die gestudeerd heeft in dit reformatorische bolwerk. Men zou de veranderingen bij Schrift dus kunnen zien als een nieuwe reformatie, bezegeld met een veelzeggend themanummer.

Ware het niet dat er een vraagteken staat achter “Alleen de Schrift”. We zijn nog steeds enthousiast over de Bijbel als bron van inspiratie. De bijdragen in dit nummer getuigen er in alle toonaarden van dat de Bijbel mensen aanspreekt en verbindt. We roepen alleen met minder stelligheid het sola scriptura uit. Maar al te vaak in de geschiedenis bedoelde men er de Bijbel mee zoals men die zelf uitlegde en ging het vooral om het eigen gelijk ten koste van de overtuiging van de ander. We zijn er ons tegenwoordig doorgaans gelukkig meer van bewust dat onze Bijbeluitleg beïnvloed wordt door de traditie waarin we staan en de wereld waarin we leven. Daar is niets mis mee, wanneer we het maar onderkennen en daarmee ook weer onder kritiek kunnen stellen. Mijn eigen bijdrage (samen met Peter-Ben Smit) gaat juist over deze invloed van de context op de lezer. Het is iets waar ik in de toekomst nog veel meer mee bezig zal gaan. We hebben er zelfs een heus centrum voor opgericht.

Het raadsel van de Psalmen

In het eind 2016 verschenen nummer van Schrift heb ik een bijdrage geschreven over Psalm 49. De redactie had gevraagd om een Psalm te kiezen waar ik iets mee had. Dat was niet moeilijk. Al sinds mijn dissertatie ben ik geboeid door het raadsel van Psalm 49. Ik had er onlangs ook nog over geschreven in een artikel voor de herdenkingsbundel van Oswalt Loretz. Het gaat over het raadsel van het leven waarin de dingen zo onrechtvaardig verdeeld lijken te zijn. Daarbij is er ook nog het raadsel van de structuur van de Psalm. Ik dacht die raadsels in 1986 te hebben opgelost. Een paar jaar later, in een bijdrage voor de Amsterdamse Cahiers, had ik het opnieuw opgelost, maar dan wat anders. In de bundel voor Loretz had ik weer nieuwe oplossingen, twee deze keer. Zo blijf je wel lekker aan de gang. Overtuigd van mijn eigen gelijk heb ik de laatste inzichten nu in eenvoudiger vorm weergegeven in Schrift. Met gepaste trots (zeker nu ik me ook hoofdredacteur van dit fraaie tijdschrift mag noemen) had ik een exemplaar bij mijn vader achter gelaten. Een tijdje later vroeg ik er naar. Hij vond het wel een beetje ingewikkeld, zei hij. Nu begin ik toch weer te twijfelen. Zo simpel is het dus niet. Misschien moet ik er nog een keer naar kijken…

Liefde en trouw in de Bijbel

Voor het tegenwoordig bijzonder fraai uitgevoerde Ouderlingenblad schreef ik een stukje over liefde en trouw in de Bijbel. Toen men mij hiervoor vroeg waarschuwde ik dat het mogelijk niet de gewenste toon zou hebben. Ik voelde er weinig voor om een soort trouwpreek te produceren. Daarvoor heb je de ambiance van een kerkzaal nodig, vol mooie en blijde mensen. Dan is het gepast en zinvol om een positief verhaal te houden vanuit de Bijbel om duidelijk te maken dat liefde geen onbegonnen werk is. God is er immers mee begonnen en zijn zegen krijg je mee. In een tijdschrift voor ambtsdragers mag er ook wel een tegengeluid klinken. Daar is de Bijbel goed voor. Dat zal ook aansluiten bij de ervaringen van mensen met pastorale ervaring: het is niet altijd rozengeur en maneschijn. De Bijbel kan ons helpen om goed na te denken over de spanningen en teleurstellingen op dit terrein.

Waar ik niet over schreef – en dat doe ik dus hier – is over wat we lezen over man en vrouw in de eerste hoofdstukken van Genesis. Ik heb grote moeite met de manier waarop gebruik gemaakt wordt van met name de tekst over de mens als beeld van God. Daar worden allerlei ideeën aan vastgeknoopt over menselijke waardigheid, terwijl het in de context van het scheppingsverhaal in feite maar om één ding gaat. God heeft de wereld met als slotstuk de mens geschapen. Nu is het aan de mens om zijn werk voort te zetten. De mens krijgt de opdracht om de schepping te beheren en om het scheppingswerk voort te zetten, namelijk door zich voort te planten. Daarom staat er: “God schiep de mens naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep hij hem, man en vrouw schiep hij hen” (Gen. 1:27). Het gaat hier niet over liefde en trouw, al heeft God daar natuurlijk niets op tegen.

Geen genoeg van Genesis

Veel Genesis in de afgelopen tijd.

In het tijdschrift Vrijzinnig verscheen een artikel van mijn hand over de manier waarop in Genesis 1 over God als schepper wordt gesproken. Daarmee rakelde ik de discussie over de juiste vertaling van het in vers 1 gebruikte werkwoord weer op. Het gaat er mij echter vooral om duidelijk te maken dat dit hoofdstuk ook gelezen kan worden als de opmaat voor het werk dat de mensen te doen hebben: als beeld van God zijn zij bedoeld om zijn scheppend werk voort te zetten.

Op de PThU was er de presentatie van het nieuwe boek van Marjo Korpel en Johannes de Moor over een mogelijke Kanaänitische achtergrond van het verhaal over Adam, Eva en de slang in Genesis 3. Marjo Korpel wijdde er ook een blog aan. Zij baseren hun theorie op twee Ugaritische teksten (KTU 1.100 en 1.107). Ik heb daar ook over geschreven in mijn artikel over bezweringen (zie blz. 279-281) in het Handbook of Ugaritic Studies (1999). Ik zag en zie dat verband met Genesis 3 niet zo direct.

Kort daarna was er een door mij georganiseerde ronde-tafel-conferentie over “Texts of Terror” in Bijbel en Koran. Daarbij hield collega Gerrit Singgih uit Yokyakarta een mooi betoog over Genesis 6-8, waarin hij de intrigerende vraag stelt waarom God zo harteloos lijkt: “In Genesis 6-8 there is God’s decision to blot out human beings (except Noah and his family), because they are all corrupt and violent. But there is no explanation on what kind of corruption and what kind of violence which had been done. How can we say that this punishment is just if we do not know the reason of this punishment? (…) In Gen. 6:6 God regretted creating human beings, but in Gen. 8:21, God resolved that never again shall He destroy life as He had done before. He has come to terms with human beings. Never again shall God punish the world, and in this commitment we may detect God’s ambiguity in His former deed to wipe out the human beings. Perhaps it is not wholly just, perhaps it is more fury than just.”

Mijn ideeën over “Texts of Terror” had ik eerder uiteengezet in een artikel in het tijdschrift Exchange: “There is a crack in everything”.

Ethiek, esthetiek en de Bijbel

Deze maand nam ik deel aan een workshop “Po/et(h)ik” in Mainz. Achter de mysterieuze titel gaat de gedachte schuil dat er een relatie is tussen ethiek en schoonheid. Dat is een thema dat een grote rol speelt in het werk van Dorothea Erbele-Küster. Zij had de workshop ook georganiseerd. Bij deze gelegenheid kreeg zij een Festschrift aangeboden. Dat had te maken met haar afscheid van de Faculteit van Protestantse theologie in Brussel. De fraaie titel van dit door Peter Tomson en Jaap de Lange geredigeerde boek luidt ‘So good, so beautiful’. Studies into Psalms, ethics, aestethics, and hermeneutics. Op deze foto heeft Dorothea het boek in handen. Zij wordt geflankeerd door oud-collega’s van de PThU: Akke van der Kooi, Magda Misset-van de Weg en mij.

Mijn bijdrage daaraan is een artikel over de ethiek in het boek Rechters. Tijdens de workshop las ik met de deelnemers het lied van Debora (Re. 5), dat een mooi voorbeeld is van de combinatie van bedenkelijk handelen en fraaie literatuur. Te zijner tijd zullen de bijdragen aan de workshop worden gepubliceerd in een nummer van Semeia.

De “Spronk synthesis”

Enige ijdelheid is mij niet vreemd. Dus bij het doornemen van de vakliteratuur kijk ik ook altijd even of ik misschien nog ergens wordt geciteerd. De kans is momenteel het grootst bij publicaties over Nahum. Ik scoor ook nog wel eens op het terrein van het onderzoek naar voorstellingen over het leven na de dood. Zo bladerde ik met enige verwachting door het boek van Christopher B. Hays, Death in the Iron Age II and in First Isaiah (2011). Tot mijn blijde verrassing was ik volgens het auteursregister vele malen geciteerd. Nu zegt dat nog niet alles. Soms schop je het niet verder dan een vermelding in literatuurlijstjes. Wat me ook nogal eens overkomt is dat men met mij van mening verschilt. Maar deze keer was dat anders. Er bleek een aantal bladzijden aan mijn dissertatie Beatific Afterlife in Ancient Israel and the Ancient Near East en de receptie daarvan te zijn gewijd. Nog mooier is dat de auteur mij tot boegbeeld maakt van de theorie dat er in de wereld van het Oude Testament sprake moet zijn geweest van een dodencultus en daarmee hangende positieve voorstellingen van het leven na de dood. Hays noemt dit de “Spronk synthesis”.  In zijn evaluatie laat hij zien dat er aanvankelijk flink kritiek was op mijn opvattingen, maar dat ik later ook weer meer bijval heb gekregen. Erg leuk om te lezen.

Mijn dissertatie is te vinden op dit weblog op de pagina met de lijst van publicaties. Wie afzakt tot 1986 vindt daar een scan in drie delen.

 

Houdt het dan nooit op?

Het is een scene aan het slot van de film Zwartboek. De hoofdrolspeelster roept vertwijfeld uit na de zoveelste onaangename wending waarbij steeds uit onverwachte hoek onrecht en geweld opspelen: “Houdt het dan nooit op?!” Misschien is het wel de kern van het geloof dat we erop durven vertrouwen dat het wel een keer ophoudt en dat aan het einde het recht het wint.

Wat in ieder geval ook niet ophoudt – en terecht – is de discussie over geloof en geweld. Op verzoek van de redactie van het tijdschrift Tussenruimte heb ik er een artikel over geschreven. Dat kan dan ook mooi dienen als basis voor de studiedag over dit onderwerp op 1 juli.