Klaas Hendrikse en de Bijbel

Zaterdag 31 mei deed ik mee aan een studiemiddag over het boek van Klaas Hendrikse (zie hier de hoofdlijnen van mijn betoog). Ik was daar in de eerste plaats als schriftgeleerde. Daarom heb ik vooral aandacht besteed aan het probleem van de verhouding tussen Bijbel en traditie. Hendrikse wekt de indruk dat hij terug gaat naar de kern van het Godsgeloof zoals Mozes dat nog begreep, maar dat daarna langzamerhand verdwenen is onder een dikke laag van regels en dogma’s. Alsof hij zelf niet ook bepaald is door de traditie waarin hij staat.

Het blijkt ook aardig om Hendrikse met Mozes te vergelijken, tot op de omslag van zijn boek aan toe. Hij is er zelf mee begonnen. Ik moet constateren dat Mozes heel wat meer uitstraling heeft dan Hendrikse. Hij had zich ook beter met Prediker kunnen vergelijken. Daarmee heeft hij veel gemeen. Dan zou ook beter duidelijk gemaakt kunnen worden dat in de Bijbel en zijn tradities er wel degelijk plaats is voor twijfel. Het is de kunst daar goed mee om te gaan. Doordat Hendrikse zo hoog inzet, alsof hij Mozes zelf is, ontstaat niet alleen een vertekend beeld van God maar ook vertekend beeld van zijn eigen positie. Uiteindelijk is hij veel geloviger dan hij doet voorkomen.

Leven na de dood

In 1986 ben ik gepromoveerd op een proefschrift over de vergelijking van het Oude Testament en de omringende culturen wat betreft de voorstellingen van het leven na de dood (Beatific Afterlife in Ancient Israel and in the Ancient Near East). Ook daarna heb ik er nog het een en ander over gepubliceerd. In zekere zin mag ik mij dus een deskundige noemen op dit terrein. Mijn kennis is echter indirect: ik houd me slechts bezig met de beschrijving van wat anderen hierover denken en berichten. Er zijn mensen die beweren dat ze ervaringsdeskundigen zijn. Ze hebben contact met doden of hebben een kijkje kunnen nemen over de rand van het leven. Op basis van wat ik er in de loop der jaren zo allemaal over heb gelezen meen ik een kritisch standpunt in te moeten nemen. Ik schreef er een stukje over in Centraal Weekblad.

Simson in de beeldende kunst

Deze maand nam ik deel aan een conferentie over Simson. Vanuit verschillende perspectieven werd nagedacht over de vraag of Simson nu als een held of als een dwaas gezien moet worden. Ik leverde een bijdrage over de manier waarop Simson wordt afgebeeld. Ter inleiding liet ik een filmpje met een compilatie van beelden zien, begeleid door twee popsongs gebaseerd op het thema van Simson en Delila: het liefelijke ‘Samson’ door Regina Spektor en het dramatische ‘Delila’ door Tom Jones. Dat geeft een aardig effect. Het geeft ook te denken over het beeld dat wij hebben van Simson. In mijn lezing gaf ik aandacht “The Looks of Samson” en aan de manier waarop hij volgens kunstenaars zelf keek. De beelden spreken een duidelijke taal.

In 2014 is het gepubliceerd: “The Looks of a Hero: Some Aspects of Samson in Fine Arts”, in: E. Eynikel, T. Nicklas (eds), Samson: Hero or Fool? The Many Faces of Samson (Themes in Biblical Literature 17), Leiden 2014, 197-209.

 

De Ark van het Verbond “gevonden”

Zondag 2 maart werd ik als deskundige gevraagd om commentaar te geven in het radioprogramma Schepper & co op het onlangs verschenen boek van Tudor Parfitt, waarin hij vertelt dat hij de Ark van het Verbond heeft ontdekt. Leuk om mee te maken, zo’n uitzending. Maar het is allemaal wel in een vloek en een zucht voorbij. Omdat ik me er in de voorafgaande dagen toch flink in verdiept had, heb ik er ook maar een kerkdienst aan gewijd in Biddinghuizen en ook een stukje over geschreven voor Centraal Weekblad.

Steeds minder vanzelfsprekend

Steeds weer word ik gevraagd om stukjes te schrijven waarin uitgelegd wordt dat het Oude Testament het lezen waard is. Pas weer heb ik dat gedaan voor het Ouderlingenblad met als titel ‘Oudtestamentisch = gewelddadig = verwerpelijk?’ De afgelopen weken heb ik ook gewerkt aan een hoofdstuk voor een leerboek voor PABO studenten over godsdienstonderwijs. Daarbij moet je zo ongeveer bij 0 (nul) beginnen. Er mag niets bekend worden verondersteld. Dat heeft dan wel weer als voordeel dat je ook niet zoveel vooroordelen hoeft weg te halen. Je hoeft ‘alleen maar’ te laten zien hoe goed dit boek of liever: deze boeken zijn.

Kind op zondag

Zojuist heb ik mijn lijst van publicaties aangevuld. Het aardige is dat die nu begint en eindigt met de vermelding van stukjes die ik schreef voor tijdschriften met materiaal voor de kerkdienst. In 1980 begon ik als student mee te werken aan De eerste dag. Dat heb ik tien jaar gedaan. Van 1993 tot 2003 heb ik geschreven voor Kind en Zondag (later Kind op zondag). Voor de Adventsperiode van dit jaar was ik uitgenodigd als gastschrijver en heb ik exegetische bijdragen geschreven bij de oudtestamentische lezingen uit het Lutherse rooster: Jes. 40:1-11; 2:2-5; 35:1-10 en 62:8-63:4. In academische kringen “scoor” je daar niet mee. Wat telt zijn wetenschappelijke artikelen in gerenommeerde tijdschriften die werken met kritische “reviewers”. Ik waag me ook wel in dat circuit, maar ik heb me voorgenomen dat alleen te doen als ik iets interessants te melden heb. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat veel collega’s in de eerste plaats publiceren om zichzelf te presenteren. Voor velen is het “publish or perish”. Die druk voel ik niet zo. Ik heb het dan ook veel makkelijker bijvoorbeeld dan mijn vakgenoten in Zuid-Afrika. Zij krijgen betaald voor hun wetenschappelijke publicaties. En bij hun salaris hebben ze dat hard nodig.

Het liefst doe ik beide: wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel en de “vertaling” daarvan in meer populariserende stukjes (zoals ook in Interpretatie, Schrift en Centraal Weekblad). Het rare is dat je met die laatste veel meer mensen bereikt en dus waarschijnlijk in het algemeen ook meer bereikt dan met het academische werk. Aan de andere kant is het ook weer wel zo dat door af en toe diep te graven de bronnen van inspiratie minder snel opdrogen.

Canonisatie een spannend onderwerp

Eind oktober hielden we voor de vijfde keer de Kamper Bijbeldagen. Het onderwerp was deze keer de canon: waarom staan sommige boeken in de Bijbel en andere niet? Ter voorbereiding en voor de reclame had ik een stukje geschreven in Centraal Weekblad. Aanvankelijk was ik niet zo enthousiast over dit onderwerp. Ik associeerde het met saaie opsommigen en afgezaagde discussies in de marge over Hooglied en de brief van Judas. Het had misschien ook te maken met de herinnering aan teksten over dit onderwerp van mijn verre voorganger J.L. Koole die ik als jong student had moeten doornemen. Dat vond ik toen maar saai. Nu ik weer mee aan de gang ging, besefte ik dat Koole indertijd niet saai was, maar voorzichtig. Het was en is namelijk een heel spannend onderwerp. Het gaat over het probleem dat er binnen de Bijbel heel verschillende en soms zelfs tegengestelde visies voorkomen. En verder blijkt dat als je nagaat hoe de canon tot stand kwam, er soms ook oneigenlijke factoren een rol spelen. Ook gaat het om de vraag of je de vastgelegde tekst wel goed kunt begrijpen zonder de voortgaande levende traditie van tekstuitleg en toepassing. Dat zijn explosieve zaken. In zijn tijd moest Koole daar heel omzichtig mee omgaan. Bij de Bijbeldagen ontmoette ik enkele oud-studenten van hem. Zij hadden zijn colleges als heel spannend ervaren. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij het gesprek aan met de orthodoxie. Zo ver als ik ga in mijn artikel zou hij niet zijn gegaan, maar hij heeft wel de weg bereid.

Het ambacht van het redigeren

Academici worden afgerekend op hun wetenschappelijke productie. Men wordt geacht regelmatig te publiceren in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften. En minstens eens in de vier à vijf jaar moet er ook een boek het licht zien. Daarmee toont men aan de wetenschappelijk status waardig te zijn: Publish or perish. Dit leidt er toe dat er steeds mee wordt gepubliceerd.

Steeds vaker wordt de schrijver ook geacht zelf zijn/haar tekst zodanig vorm te geven dat deze zonder verdere inbreng van zetters of andere uitgeefkundige deskundigheid kan worden vermenigvuldigd. Men zou dit kunnen zien als een van de zegeningen van het computertijdperk, waarbij ieder de middelen heeft om teksten te kunnen vormgeven. In de praktijk blijkt dat dit vaak leidt tot slechte vormgeving, maar de kostenbesparing blijkt voor veel uitgevers belangrijker dan de kwaliteit van de vormgeving.

Hoe dan ook, er gaat tegenwoordig veel tijd zitten in het redigeren van teksten. De afgelopen tijd heb ik aan drie uitgaven zitten werken: de duitse vertaling van het boek van Cees Houtman en mij over de dochter van Jefta (uitgave door LIT Verlag), de teksten van de Kamper Bijbeldagen 2006 over het Godsbeeld (met gelukkig wel de nodige bijstand door uitgeverij Meinema) met daarin een bijdrage van mijn hand over het beeld van God in het Oude Testament en het laatste nummer van de Amsterdamse Cahiers, waarvoor ik ook nog het artikel van Eckhart Otto heb vertaald, een flinke klus.

Bij onderzoeksvisitaties is er weinig oog voor dit monnikenwerk. Ten onrechte.

Het schrijven van recensies

Deze week verscheen op het internet in de Review of Biblical Literature mijn recensie van het boek van Gregory Wong, Compositional Strategy of the Book of Judges: An Inductive, Rhetorical Study.
http://www.bookreviews.org/bookdetail.asp?TitleId=5652

Mijn bespreking is wel erg kritisch. Dat zal mensen die mij kennen wellicht verbazen, want over het algemeen stel ik mij opbouwend op. Wanneer studenten of collega’s komen met bepaalde ideeën ben ik doorgaans ook geneigd daar positief op te reageren. Het lijkt erop alsof ik schriftelijk anders reageer. Mijn pen is scherper dan mijn tong.

Nu schijnt dat vaker voor te komen. Onlangs sprak ik een Duitse en een Nederlandse collega die vaker nog dan ik boekrecensies schrijven, in respectievelijk het Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft en het Nederlands Theologisch Tijdschrift. Het zijn beide heel aimabele mensen. Toen het gesprek echter op het schrijven van recensies kwam vertelden zij beiden met een zekere voldoening hoe hard zij sommige publicaties, die dat in hun ogen ook zeer verdienden, hadden afgekraakt. Daar is mijn stukje over Wong niets bij. De Duitse collega was zich zozeer van zijn venijn bewust dat hij zijn stukjes eerst door zijn vrouw liet lezen. Die houdt het ergste tegen.

Eerste bericht

Vandaag begin ik met mijn eigen weblog. Daarin wil ik mijzelf presenteren als kerkelijk betrokken oudtestamenticus (werkzaam aan de Protestantse Theologische Universiteit). Daartoe zal ik zoveel mogelijk wat ik her en der schrijf en geschreven heb toegankelijk maken en vooral ook aan het web toevertrouwen waar ik mee bezig ben. Hopelijk kan ik daar sommige mensen mee van dienst zijn en levert een en ander ook reactie en discussie op.

De ondertitel met een verwijzing naar het Oude Testament als bron van inspiratie is ontleend aan mijn inaugerele rede. Die zet ik nu als eerste op deze website, met en zonder plaatjes.